1585.

De val van Antwerpen en de uittocht van Vlamingen en Brabanders

Gustaaf Asaert

Pragmatieke Sanctie 1549: alle gewesten verklaarden dat zij na ’t overlijden van Karel V allen dezelfde vorst en dezelfde wetten zouden blijven gehoorzamen. Na de dood van Karel V waren de Nederlanden geen kolonie van Spanje; er was ook geen Spaanse bezetting. De band werd gevormd door de persoon van de vorst.

In de 17 Nederlanden woonden ca. 3 miljoen mensen op 51.000 km².

Benamingen van de Nederlanden:
Het prinsdom Luik hoorde niet tot de Nederlanden.

·      In de Bourgondische tijd van de 15e eeuw:

o     “de landen van herwaerts over”, en

o     de Bourgondische erflanden in het huidige Frankrijk: Bourgogne en Franche-Comté: “de landen van derwaerts over”.

·      In de 16e eeuw: “het Nederlant”, voor de gewesten Vlaanderen, Brabant, Holland en Zeeland.

·      In de 17e eeuw:

o     “Wals-Nederlandt”: Doornik, Douai, Bergen, Kamerijk en Valencijn

o     “Duytsnederlant”, Brussel, Antwerpen, e.a.

Meestal voelde men zich geen ‘Nederlander’, maar Hollander of Vlaming of Brabander, etc. Pas de strijd tegen Spanje bracht ‘dese Nederlanden” en ook “Nederlant” in enkelvoud. “La Flandre” was een ruimer begrip dan het Vlaanderen van heden, te vergelijken met “de Hollander uit Friesland” en de Schot die we een Engelsman noemen, waarbij het belangrijkste deel de naam gaf aan alle anderen.

De Republiek heette “Belgium Foederatum”. en het zuiden “Belgium Regium”. De bekende kaart van de Nederlanden in de vorm van een leeuw heette “Leo Belgicus”. De naam ‘België’ kwam pas eind 18e eeuw weer naar voren.

De Staten-Generaal kwam voor ’t eerst samen in Brugge in 1464, na een oproep van de landsheer, om een bede en andere zaken. Vanaf 1576 was de SG een politiek forum: de PvG gericht tegen de Spaanse troepen en andere zaken. De Unie van Atrecht (Arras) bestond uit de Waalse provincies Artesië, Waals-Vlaanderen, Henegouwen en Valencijn. De Unie van Utrecht 1579 werd gevormd door: Holland en Zeeland, Friesland, Gelderland, plus de meeste Vlaamse en Brabantse steden, plus Doornik: het waren de verstedelijkte en commerciële kernen die de strijd voortzetten.

Inquisitie:
·     
pauselijke: onderzoekers zijn door de Heilige Stoel rechtstreeks benoemd, en zijn alleen verantwoording verschuldigd aan Rome
·     
bisschoppelijke, door de bisschop georganiseerde rechtbanken, die optraden tegen afwijkende geloofsovertuigingen in zijn diocees
·     
wereldlijke of staatsinquisitie

Omdat kerk en staat niet gescheiden waren, was een vergrijp tegen het geloof een vergrijp tegen de staat. De Staat stelde in 1522 een inquisiteurgeneraal aan in de Lage Landen. In 1523 promoveerde de paus deze man tot algemeen pauselijk inquisiteur. De inquisitie als kerkelijk apparaat voerde het onderzoek, en vond er, indien noodzakelijk geacht, een overdracht aan de wereldlijke overheid plaats. De laatste sprak de eventuele vonnissen uit. Al op 25 juli 1521 vond in Gent een plechtige boekverbranding plaats in aanwezigheid van Karel V en zijn gevolg, de koning Van Denemarken en vooraanstaande leden van de SG. Eerste slachtoffers: twee augustijner monniken, die in 1523 op de Brusselse grote Markt op de brandstapel terecht kwamen.

De eerste vlucht van burgers ging naar Duitsland: Emden, Bremen, het land Saksen enz. Het aantal slachtoffers is kleiner onder Lutheranen en Calvinisten dan onder de Anabaptisten of Wederdopers, vooral omdat de laatsten ook het politieke en maatschappelijke bestel wilden omverwerpen. Tot 1566 had het Lutheranisme en het Calvinisme meer aanhangers in de Zuidelijke Nederlanden dan in de Noordelijke. De Dopers waren gelijktijdig in het zuiden en het noorden actief.

Voor 1585 was Antwerpen de grootste protestante stad van de Lage Landen, en tegelijkertijd de grootste katholieke. Katholieken zijn de Calvinistische regimes in Gent en Antwerpen ontvlucht: velen vluchtten naar Keulen. Joden gingen na 1585 naar Amsterdam.

Het Spaanse leger in de Nederlanden: de infanterie: 56.850 man:
·     
25.420 Nederlanden (noord en zuid)
·     
23.600 Duitsers
·     
7.830 Spanjaarden (=13,8%)

 Emigratie vanuit de Zuidelijke Nederlanden:

 Emigratie op kleine schaal ca. 1521 -  ca. 1540:  
·     
door de eerste edicten tegen ketters, en de executie in 1523 van de twee augustijner monniken volgt een beperkte emigratie naar vooral Duitsland; veelal Lutheranen, van anderen (Wederdopers en Calvinisten) was nog geen sprake.

De eerste grote golf ca. 1544 – ca. 1550:

·      Wederdopers, vanwege hun volwassen doop, hun ideeën over de herverdeling van goederen, en het duizendjarig rijk. Tot het midden van de 16e eeuw waren zij de belangrijkste protestante stroming, vooral in Vlaanderen en Brabant, en dan vooral in het westen van Vlaanderen. Al vanaf 1530 vluchtten zij naar Antwerpen en naar Engeland. Vanaf 1534/1535 kwam de vervolging echt op gang. Vanaf 1540 vluchtten ook velen vanuit Vlaanderen en Brabant naar Friesland.

·      ook Calvinisten beginnen op de vlucht te slaan, en gaan evenals de Wederdopers vooral naar Engeland (zuidoost kust en Londen), en Duitsland (rond Wezel, en Emden.)

De tweede grote golf 1566-1576:

·      1566 Beeldstorm: vanaf Hondschoote e.o. De eigenlijke rebellie eindigde rond mei 1567, nog voordat Alva was gearriveerd.

·      De exodus kwam in een stroomversnelling na de instelling van de Raad van Beroerte (Bloedraad): er werden 11.130 verbanningen uitgesproken met gehele of gedeeltelijke verbeurdverklaring van goederen. De vlucht ging naar Duitsland, Engeland en Frankrijk; ook edelen weken uit.

·      Eind 1573 was er een relatieve rust na het vertrek van Alva; in maart 1574 kwam een generaal pardon tot stand: bestraffingen om religieuze redenen kwamen nog zelden voor. Na de PvG in 1576 was er alleen nog gevaar voor Wederdopers. Velen keerden terug. In 1578 kwam een Religievrede door de SG tot stand : Calvinisten en Lutheranen kregen kerken ter beschikking. In veel steden kwam het zelfs tot een verbod van de katholieke religie.

De derde grote golf 1583-1589:

·      Door het optreden van Parma en zijn veroveringen vanaf 1579 gingen opnieuw velen op de vlucht naar Engeland en Duitsland.

·      In Spaanse handen vielen:
o    
Maastricht juni 1579
o    
Kortrijk februari 1580
o    
Doornik november 1581
o    
Oudenaarde april 1582
o    
Lier augustus 1582
o    
Duinkerke juni 1583
o    
Ieper april 1584
o    
Brugge mei 1584
o    
Gent september 1584
o    
Brussel maart 1585
o    
Mechelen juli 1585
o    
Antwerpen augustus 1585

·      Wel gaf Parma de inwoners ruim de tijd om tot het oude geloof terug te keren, of om hun onroerende goederen te verkopen en te vertrekken met medeneming van hun bezittingen (Voor Antwerpenaren gold een bedenktijd van vier jaar)

·      Antwerpen telde in 1566 ca. 100.000 inwoners; na de komst van Alva ca. 82.000; na de overgave van Antwerpen vertrok ongeveer de helft: ca. 41.000 mensen. Na 1589-1600 vertrokken nog eens 7.000 inwoners.

·      In Gent en Brugge stond na de verovering van Parma tot de helft van de huizen leeg.

·      Deze rustig verlopen en overwogen vertrekskeuze van Vlamingen, Brabanders en Walen ging opnieuw naar Engeland en Duitsland, maar vooral naar de Republiek.

De vierde en laatste grote golf ca. 1590 – ca. 1630

·      Er was een stroom die in de jaren 40 om religieuze maar ook vanwege economische redenen naar Engeland was gevlucht, die nu naar de Republiek uitweek; in de eerste plaats door het aan de troon komen van de katholieke Mary Tudor (Bloody Mary), in de tweede plaats vanwege de gunstige economische situatie in de Noordelijke Nederlanden.

·      Ook zij die eerder naar Duitsland waren gegaan gingen nu hun heil zoeken in de Republiek.

In de jaren 20 en 30 zien we individuele vluchten; daarna wordt het een groepsgebeuren, cq. familiegebeuren. Na 1585 voornamelijk Brabanders, eerder meer Vlamingen.

In 1534 verklaarde Hendrik VIII zich tot hoofd van de Anglicaanse Kerk; van de katholieke kerk liet hij bij de overname alles intact, en hij bestreed Lutheranen en Wederdopers. Vanaf 1544, na de Vrede van Crépy tussen Karel V en Frans I ging de staatskerk verder in Protestante richting. Vooral onder de opvolger van Hendrik VIII, Edward VI onder de voogdij van Edmund Seymour. In 1553 kwam er een ommekeer, toen de strengkatholieke Mary Tudor koningin werd; een groot deel van de protestanten die oorspronkelijk uit de Nederlanden kwam, vertrok naar Emden en verder.

Toen Mary Tudor in 1558 stierf werd ze in 1559 opgevolgd door de protestante Elizabeth I. Engeland werd weer toegankelijk voor Protestanten, en vooral Vlaamse wevers waren zeer welkom. In 1560 konden echter de Wederdopers Engeland weer verlaten.

Met de komst van Alva in 1567 groeide de stroom van vluchtelingen naar Engeland weer.

Vanaf 1572 (Den Briel e.a.) gingen veel Hollanders en Zeeuwen vanuit Engeland weer terug. Ook de tijd tussen de PvG en het optreden van Parma zorgde voor een korte periode van terugkeer. Overblijfsel van deze tijd: de Nederduitse Hervormde Kerk van Austin Friars vanaf 1550 in de City van Londen, die nog steeds bestaat en waar Nederlands- en Afrikaanstaligen welkom zijn. Wel een plek die meer met de Nederlanden te maken heeft gehad: toen het nog een Augustijner kloosterkerk was, heeft Erasmus er in 1513 gelogeerd. In 1940 werd de kerk door een bom getroffen, maar in 1950 weer opgebouwd.

In totaal zouden 10.000den vluchtelingen naar Engeland zijn gegaan in de periode 1568-1573.

Bremen was anno 1582 een calvinistische stad; van de stad was ook een vertegenwoordiger op de synode van Dordrecht in 1618.
Emden: na de Beeldenstorm in de periode 1569-1573 kwamen ruim 5.000 immigranten; dit was ca. de helft van de totale bevolking.\Een aardig aantal geuzenkapiteins voerden vanuit Emden acties uit. Tot ca. 1600 was er in Emden bloei door de handel van/naar het Oostzeegebied en de zuid-Europese havens.  Ook de Merchants Adventures kozen na de breuk met Hamburg voor Emden; later werd dit Stade. Boekdrukkers, boekbinders en uitgevers vonden Emden eveneens een geschikte en veilige locatie. Doch steeds was er de vrees voor een Spaanse vergeldingsactie. In 1574 keerden vele Hollanders en Zeeuwen op verzoek / bevel van WvO terug; hierbij ging het om ca. 3.300 personen. Het raadhuis van Emden van toen, gebouwd 1574-1576, lijkt niet voor niets sprekend op dat van Antwerpen. Emden was een voorbeeldige calvinistische stedelijke republiek, en werd als een soort moederkerk beschouwd: ze nam in de calvinistische wereld een belangrijke plaats in. De eerste ‘nationale synode’ van de Nederlandse calvinisten had in Emden in 1571 plaats. De organisatie werd op poten gezet door drie kerkelijke provincies: Engeland, Duitsland en de Nederlanden.

Een andere belangrijke emigrantenstad was Wezel: in de jaren 1544-1561 een duizendtal, dat opliep na de Beeldenstorm tot 9.000. In 1578 keerden ca. 4.000 ballingen terug. Na 1583 werd Wezel jarenlang door de Spanjaarden omsingeld. In 1614 is het einde van Wezel als immigrantenoord door de Spaanse bezetting van de stad.  Belangrijk was Wezel door het convent in 1568 van 63 calvinistenleiders, waar regels en aanbevelingen tot stand kwamen, die invloed hebben gehad op de latere opbouw van de gereformeerde gemeenten in de Nederlanden.

In Duisburg kwam in 1552 Geraard Mercator terecht, die er tot zijn dood in 1594 verbleef. Naar Duisburg vluchtten ook veel Maastrichtenaren, na verovering door Parma van hun stad in  1579. In 1587 ging de stadskerk van Duisburg over naar het calvinisme.

In het katholieke Keulen (zetel van de aartsbisschop) moesten protestante vluchtelingen uit de Nederlanden zich onopvallend gedragen. Na 1600 waren de meeste ballingen van Keulen weer vertrokken. Andersom was Keulen een tijdelijk schuiloord voor vervolgde katholieken, vooral vanuit de gereformeerd geworden steden Antwerpen en Gent. In de jaren 1588-1590 keerden ze terug naar de Zuidelijke Nederlanden.

Aken nam al vanaf 1544 (?) calvinistische emigranten op. In 1598 krijgt Aken na bezetting door Albertus een katholiek bestuur. In 1611 grijpen de calvinisten de macht. In 1614 is Aken definitief in katholieke handen na optreden van het Spaanse leger.

Vooral vanaf de jaren 50 van de 16e eeuw trokken veel vluchtelingen naar het Lutherse Frankfurt aM., dat in 1554 had besloten alle protestanten gastvrij op te nemen. Vele protestanten, die eerst naar Engeland en Keulen waren gegaan, kwamen in FaM terecht. In 1561 kwamen zo’n 2.000 protestanten uit de Zuidelijke Nederlanden, wat tot problemen leidde met de Frankfurtse Lutherse stadskerk, die eiste dat de bannelingen zich bij hen aansloten, wat weer tot vertrek van de meesten leidde. Toch gingen er vanaf 1585 opnieuw velen naar Frankfurt vanuit Antwerpen, wat de stad economische voorspoed heeft gebracht. De helft van de rijkste bewoners was in 1598 afkomstig uit de lage landen. In 1596 volgde echter een uittocht door anti-vreemdelingenbeleid, en werd de nieuwe stad Hanau gesticht.

Ook Dantzig had te maken met immigranten: al in de jaren 20 en 30 van de 16e eeuw: de eersten waren Wederdopers, in de jaren 1566-1567 Calvinisten. Na 1585 weer nieuwe vluchtelingen. Voor de stad zijn ze belangrijk geweest in economisch en in bouwkundig opzicht.

Het aantal vluchtelingen uit de Nederlanden naar de Duitse landen was ca. 30.000, waarvan een groot deel zich uiteindelijk in de Republiek zou vestigen.

Vanwege hun calvinistisch geloof moesten velen Lutherse gebieden weer verlaten:
·     
van Frankfurt aM naar Frankenthal en Hanau
·     
van Hamburg naar Stade en Altona
·     
van Aken naar Keulen.

Vanaf 1574 waren Holland en Zeeland weer relatief veilig.

De grote stromen mensen naar de Republiek zijn te onderscheiden:
·     
Portugese en Duits/Poolse joden
·     
Vlamingen, Brabanders en Walen
·     
Hugenoten.

De kracht van Amsterdam: eigen schepen in de loop van de 16e eeuw.

Inwoners:
Antwerpen 1566: ca. 100.000
Amsterdam: ca. 1566: ca. 30.000
Antwerpen 1589: ca. 46.000
Amsterdam 1622: 104.000

 

Amsterdam:
·     
1580-1584: 13,2% van de nieuwkomers uit de Zuidelijke Nederlanden
·     
1585-1589: is dit aandeel 44,2%.
·     
1576-1630: ca. 35.000 uit het zuiden naar Amsterdam
·     
in 1622 kwam 1/3 deel van de Amsterdamse bevolking uit de Zuidelijke Nederlanden

Amsterdam:
·     
februari 1578 Satisfactie: ze erkende het gezag van de Staten van Holland
·     
mei 1578 Alteratie: ze kreeg een calvinistisch bestuur.

Antwerpse Reconciliatie is de capitulatie in 1585 na het beleg van Parma. In Antwerpen waren in de 16e eeuw Maranen of Nieuwe Christenen: sefardische joden uit Spanje/Portugal, die onder dwang aldaar katholiek geworden waren. Velen gingen naar Brugge en vanaf 1511 naar Antwerpen. In 1540 moesten de joden het land (welk land?) verlaten. De Nieuwe Christenen mochten blijven. In 1549 wilde Karel V de maranen uit Antwerpen die er zich na 1543 hadden gevestigd. In de 90’er jaren vertrokken ze naar Amsterdam; tot 1620 zijn 470 namen van Portugese joden aldaar gevonden.

In de Republiek was er veel tolerantie, behalve voor:
·     
zigeuners (E)gyptenaren (gypsies)
·     
atheïsten
·     
vormen als jansenisten en socianisten

Leiden werd de 2e stad qua aantal inwoners, dankzij de textiel:
·     
1581: 12.000
·     
1622: 44.000
·     
2e helft 17e eeuw: 70.000

Leiden heeft de eerste universiteit in ’t noorden, en de 3e in de Lage Landen, na Leuven en Dowaai.

Doel van de universiteit is het creëren van kader:
·     
het opleiden van predikanten (waar een groot tekort aan was)
·     
artsen
·     
ambtenaren

De geest van de universiteit Leiden: tolerantie in humanistische uitleg. Het strenge calvinisme kreeg er geen (grote) invloed.

Haarlem: 1573 overgave, 1576 grote brand, 1577 grote wederopbouw. Vanaf 1578 kwamen er grote groepen die eerder naar Engeland en Duitsland waren gevlucht.  Haarlem koos in 1577 voor de SG: rooms en calvinistisch zijn gelijk zoals de PvG aangaf. Doch reeds in 1581 kwam er een einde aan de gelijkheid. Haarlem werd bierstad en had veel linnenweverijen en –blekerijen. Het ging om plantaardig linnen (Leiden dierlijke wol). Zeer veel Vlamingen, Brabanders en Walen ‘in de linnen’. Linnenblekerijen bij Haarlem in de duinen: schoon duinwater, plus er was karnemelkproductie. Dit werd tot wit Haarlems linnen (“toile de Hollande”). Haarlem in inwonertal: 1570: ca. 14.l00, in 1622: ca. 39.000. Na 1618 had Haarlem een Contra-Remonstrants bestuur; ballingen kwamen niet in het stadsbestuur; omdat dit discriminerend werd gevonden vertrokken velen vanaf 1630 richting Amsterdam.

Rotterdam: 1561: 10.000 inwoners, in 1622: 26.000.  Vanaf 1591 kwamen er geen ballingen meer in de Raad.

Delft hield vreemdelingen buiten de deur, wat de economische groei tegenhield. Toen de stad rond 1595 wat aan de stagnatie wilde doen, trachtte ze met veel beloftes textielproducenten uit Leiden te lokken, wat leidde tot een scherp protest van Leiden.

Utrecht: geen grote economische expansie, geen grote kooplieden; wel een door de adel gedomineerd patriciaat, plus vóór de hervorming rijke kapittels. Er waren veel katholieke geestelijken (Utrecht was zetel van de aartsbisschop: 1559-1580). Het stadsbestuur bleef tolerant t.o.v. de katholieke meerderheid van de bevolking. In 1578 waren er twee calvinistische kerken:
·     
een orthodox-calvinistische gemeente, en een
·     
libertijnse gemeente die in de meerderheid was; later werd deze gemeente arminiaans / remonstrants

Doopsgezinden ca. 1595:
·     
Waterlanders (ten noorden van Amsterdam)
·     
Oude Friezen
·     
Jonge Friezen
·     
Hoogduitsers
·     
Oude Vlamingen
·     
Jonge Vlamingen (de laatste twee gingen in 1632 een fusie aan)

Mensen uit Vlaanderen kwamen behalve in de Republiek ook terecht in:
·     
Kopenhagen, Dantzig (waar ze rol speelden bij de bouw van architectonische werken)
·     
Zweden: in de ijzerindustrie en in manufacturen
·     
Parijs en andere Franse steden.

Velen van adel vertrokken vanuit de Zuidelijke Nederlanden naar Duitsland.

Willem van Oranje:
·     
geboren in Dillenburg
·     
grotendeels opgevoed in Brussel aan het Bourgondisch-Habsburgse Hof
·     
1567 verliet hij Antwerpen, en na een korte tijd in Breda ging hij naar Dillenburg
·     
1577-1583 woonde hij in Antwerpen

De vroegste verspreiding van de Reformatie vond plaats in Vlaanderen en Brabant. Door Parma vluchtten veel predikanten naar het noorden, naar Holland en Zeeland. Zij namen veel volgelingen met zich mee. Vooral omdat de Republiek tot in de jaren 90 verlegen zat om predikanten waren ze hier zeer welkom. Wel waren deze vaak zeer radicaal en fundamentalistisch, wat problemen gaf met de overheid, die een meer tolerante houding voorstond. Van ca. 1580 tot 1615 gaat het om honderden predikanten. Petrus Plancius was behalve Vlaams predikant ook astronoom en cartograaf. Plancius was in 1552 in Frans-Vlaanderen geboren. In 1585 naar Amsterdam, streed tegen Arminius. In 1594 stichtte hij mede de Compagnie van Verre. In 1622 overleed hij in Amsterdam.

Vlaamse literatoren: Vondel, doopsgezind; zijn ouders weken van Antwerpen uit naar Keulen, waar Joost werd geboren; in 1597 kwam de familie naar Amsterdam. Veel rederijkerskamers met Vlaamse en Brabantse leden, of zelfs geheel Vlaams/Brabants.

Behalve predikanten kwamen ook veel Vlaamse en Brabantse schoolmeesters naar het noorden: in Amsterdam een kleine 50.  Een aantal Zuidelijke Nederlanders bracht het tot rector van Latijnse scholen, o.a. in Rotterdam, Amsterdam, Haarlem, Delft, Dordrecht.

In Leiden aan de universiteit zien we Justus Lipsius als rector magnificus, een Brabantse humanist, die in 1591 toch weer terugkeert naar Brabant èn het katholicisme. Tevens zien we in Leiden, maar later ook Groningen, Franciscus Gomarus, de theoloog. Vlaamse professoren zien we verder in Franeker, Harderwijk, Groningen en Utrecht.

Boekdrukkers en boekverkopers vinden we in de 16e eeuw aanvankelijk vooral in Antwerpen: van de 547 in de Lage Landen vinden we er 322 in Antwerpen. Eind 16e eeuw was de situatie anders: had Amsterdam vóór 1578 slechts één uitgever en in 1585 slechts één drukkerij en twee boekhandels, rond 1590 nam Amsterdam de leidende positie van Antwerpen over, waar de inbreng van de zuidelijken substantieel was. Zo ook als academiedrukkers aan de universiteit van Leiden. Ook de naam ‘Elsevier’ komt oorspronkelijk uit de Zuidelijke Nederlanden.

Hoewel de regentenaristocratie principieel tegen de benoeming was van zuiderlingen, drongen toch een aantal door naar functies zoals in de diplomatie: François van Aerssen.

Als botanicus met een leerstoel in Leiden is bekend Carolus Clusius, die een belangrijke rol speelde bij de verspreiding en bekendmaking van de tulp.

Van de Watergeuzen is Lumey bekend, voluit Willem van der Marck, heer van Lummen, dat toentertijd in het prins-bisdom Luik lag. Hij veroverde Den Briel in 1572, doch was een nietsontziend persoon, en verantwoordelijk voor de moord op de 19 geestelijken uit Gorkum, buiten Den Briel gepleegd.

De Zeeuwse Watergeuzen stonden o.l.v. de Brusselaar admiraal Louis de Boisot. Hij bracht ’t tot admiraal van Zeeland (1573) en tot luitenant-admiraal van Holland (1574). Boisot versloeg de Spaanse vloot bij Reimerswaal en Lillo, en wist in 1574 Leiden te ontzetten. Onder de schepelingen was het aantal Vlamingen en Brabanders gering.

In 1600 opende de Leidse universiteit een school voor ingenieurs, “Duytsche Mathematique”, waar in de volkstaal colleges werden gehouden de vestingbouw betreffende. De opleiding werd uitgezet door de Vlaming Simon Stevin, die zich behalve met vestingwerken ook met stedenbouw bezighield: “Vande oirdeningh der steden”.

De kooplieden uit de Zuidelijke Nederlanden hadden vooral vanuit Antwerpen hun Europese handelsnetwerken ontwikkeld. De elite hiervan vertrok vanuit Antwerpen vooral naar Frankfurt en Hamburg.

De jongere kooplieden kwamen vooral naar Amsterdam:
·     
1585 = 11% van de Amsterdamse kooplieden Zuid-Nederlander
·     
1610 = 1/3
·     
1630: 20%

Onderzoek geeft aan, dat in periode 1578-1630 ca. 5.000 namen van kooplieden, waarvan 852 Zuidelijke Nederlanders. ZN’ers begaven zich niet in de oude Oostzeehandel, vaak wel in riskante en speculatieve activiteiten.

De Wisselbank in Amsterdam vanaf 1609: in 1620 waren er 297 Zuid-Nederlandse rekeninghouders tegenover 320 Noord-Nederlanders. In 1631 bedroeg het gemiddelde kapitaal van de Zuid-Nederlanders 62.900 gulden, terwijl dat van de anderen gemiddeld 49.934 gulden bedroeg.

In de Voorcompagnieën werd veel geld gestoken door Zuidelijke Nederlanders, o.a. Dirck van Os;  Petrus Plancius was als cartograaf bij deze activiteiten betrokken; hij onderwees ook in praktische en theoretische navigatietechnieken. Plancius zat ook achter de tochten om de Noord. In 1598 richtte De Moucheron (1552- ca. 1630) de Veerse Compagnie op.

Zuid-Nederlanders als Gouverneur-generaal in Indië:
·     
de 5e: Pieter de Carpentier van 1623-1627
·     
de 7e: Jacques Specx: 1629-1632

Van de top 10 investeerders van de Kamer van Amsterdam waren er 8 Zuid-Nederlander. In 1602 waren van de Amsterdamse Kamer van de VOC 26,3% van de participanten van zuidelijke origine, zij schreven in voor 38% van de totale inleg. In 1612 was hun inbreng nog groter. Pleiter voor de WIC was de Antwerpenaar Willem Usselinx (1567-1647); hij verloor zijn vermogen bij de drooglegging van de Beemster.

Isaac Le Maire (Doornik / Antwerpen) was in 1599 medeoprichter van de Nieuwe Brabantsche Compagnie, die in 1600 fuseerde met de Oude Compagnie; de nieuwe naam werd Verenigde Amsterdamse Compagnie. In 1603 ging deze op in de VOC. In 1614 richtte hij met Hoornse burgers de Australische Compagnie op. In 1615 voeren twee schepen uit o.l.v. zijn zoon Jacob. In 1616 vond deze bij straat Magelhaes een nieuwe doorvaart richting Grote Oceaan, die nog steeds Straat Le Maire heet. Het doel Australië werd echter gemist, en op Java werd het schip door de VOC aan de ketting gelegd vanwege vermeende inbreuk op het VOC-monopolie; in de Republiek won vader Le Maire en de Australische Compagnie het aangespannen proces en kregen zij de in beslaggenomen goederen terug.

Peter Marcelis, van een Antwerpse koopmansfamilie, nam het initiatief tot de start van de Russische ijzerindustrie: het bedrijf in Toela startte in 1632.

De Straat- en Levantvaart was de Antwerpse kooplieden al vertrouwd en hadden er hun contacten; vanuit de noordelijke Nederlanden bouwden zij dit verder uit.

In 1623 vertrokken de eerste kolonisten met hun gezinnen naar Amerika; de meesten waren Franstalige, protestante emigranten uit Wallonië of Frankrijk.

Architecten van Zuid-Nederlandse afkomst:
·     
Philip Vingboons; bekend om zijn Amsterdamse grachtenhuizen, buitenhuizen langs de Vecht, maar ook in de Purmer en Beemster. Zijn ontwerp voor het nieuwe Amsterdamse stadhuis werd net niet gekozen.
·     
broer Justus: bekend van het Amsterdamse Trippenhuis.
·     
de Gentenaar Lieven de Key bouwde in Haarlem het Waaggebouw, de Vleeshal, de toren van de Nieuwe Kerk en het gebouw waar nu het Frans Halsmuseum is gevestigd.

Ook de Noord-Nederlandse schilderkunst is gevoed door veel schilders met een zuidelijke achtergrond. Portretschilder Daniël van den Queecborne maakte verschillende portretten van de Oranjes, alsmede van Marnix van St.-Aldegonde, Christiaan Huygens, e.a. Brabanders en Vlamingen domineerden de kunsthandel van Amsterdam in de periode 1625-1630. Frans Hals was een geboren Antwerpenaar. Voor het nieuwe stadhuis van Amsterdam maakte de Antwerpse beeldhouwer Artus Quellinus verschillende sculpturen.

Veel Vlaamse en Brabantse ambachtslieden introduceerden nieuwe en gespecialiseerde technieken, die in het noorden onbekend waren: zijdeweverij, ’t weven van wandtapijten, ’t weven van patronen in fijn linnen of damast, gemengde katoenen en wollen, fusteinen (gemengde stof met schering van linnen en inslag van katoen), suikerraffinage, diamantslijperij.

Soms werd het burgerrecht vlot verkregen door de nieuwkomers, omdat een stad er economische belangen bij had. Anders kon het burgerrecht gekocht worden. De noordelijken waren er sterk tegen dat nieuwelingen in openbare functies terecht kwamen, waarbij ze wezen op de privileges (1555 van Karel V aan Holland, en Filips II later in 1555 aan Utrecht):

·      uitgesloten van openbare functies waren zij:
o    
die de landstaal niet beheersten
o    
die buiten Zijne Majesteits landen waren geboren
o    
die afkomstig waren uit een provincie die eenzelfde procedure van uitsluiting toepaste

Toch druppelden vreemdelingen af en toe door naar deze functies.

Werkplekken voor de nieuwkomers: op het terrein van voormalige kerken en kloosters. Leiden liet op deze vrijgekomen plekken in 1596 zelfs 71 arbeiderswoningen bouwen. Ook Delft liet huizen bouwen op het terrein van het gesloopte klooster.

Gekwalificeerde ambachtslui en kooplieden-ondernemers werden door de steden gelokt met premies, verlaging van belasting of zelfs een tijdelijke vrijstelling daarvan, woonruimte, vrijstelling van wachtlopen bij de schutterij, renteloze voorschotten en zelfs vergoeding voor de verhuizing. Bijzonder was, dat sommige nieuwkomers hun beroep of bedrijf konden uitoefenen buiten elke gildedwang, ondanks het gemor van de gevestigden.

Er was een duidelijke lijn tussen arme immigranten enerzijds en zwervers/bedelaars anderzijds: voor de eerste groep was er eventueel armenzorg door de stedelijke overheid of de kerken.

Wie kon, verliet de Zuidelijke Nederlanden per schip: er was dan meer plek om huisraad en arbeidsmateriaal mee te nemen. De Staten van Zeeland liet na 1585 zelfs schepen varen tussen Antwerpen en Middelburg om mensen op te halen. Vóór 1585 kwamen zeer veel vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden, door Parma opgejaagd, naar Antwerpen, waar ze in leegstaande kloosters werden opgevangen. In de Republiek, vooral vanaf 1585, werden door de overheid ook katholieke gebouwen zoals kerken, kloosters, begijnhoven en scholen beschikbaar gesteld.

De overheid wilde na de eerste opvang grip krijgen op de nieuwkomers, door ze bewijzen van goed gedrag te laten overleggen, door hun gegevens te noteren en hun de eed van trouw af te laten leggen op straffe van boetes en uitwijzing. Pas na stedelijke goedkeuring konden ze aanspraak maken op een woongelegenheid. Na de opname in hun nieuwe gemeenschap was er nog de strenge sociale controle van de autochtone medeburgers en van de kerkgemeente. Een bekend patroon was ook in deze situatie te merken: na aanvankelijk met open armen ontvangen te zijn, kwam bij de autochtone bevolking de vrees naar boven wat deze nieuwe situatie voor hen zelf zou brengen. Vooral de arme immigranten hadden hieronder te lijden, niet de gekwalificeerden, niet  de bemiddelden.

De huishuren gingen in Amsterdam tussen 1578 en 1665 met de factor 5 omhoog. Alleen al in de periode 1580-1595 met de factor 3. In Antwerpen daalden de huurprijzen van de huizen in de jaren 1585-1594 met de helft.

Hoewel de Brabanders en Vlamingen geen functie op het stadhuis konden verkrijgen, was dit wel mogelijk in de kerkenraden:  de verhouding bij ouderlingen in Haarlem was 4 Hollanders, 2 Brabanders, 2 Vlamingen. Bij de diakenen zelfs resp. 3-2-2. Hiertegen traden de Staten van Holland in 1620 op: ze eisten dat tenminste de helft van de ouderlingen moest bestaan uit in de provincie geborenen, waar de synode het overigens niet mee eens was.

Onder de immigranten waren relatief veel radicale calvinisten, wat gezien hun verleden niet verwonderlijk was. Zo’n 400 predikanten uit ’t zuiden waren werkzaam in de Republiek. Omdat hun volgelingen een belangrijk, zo niet de meerderheid van het totaal aantal kerklidmaten uitmaakte, was hun radicale houding een niet weg te cijferen gegeven.

In 1604 was het tot een dispuut gekomen tussen de Leidse hoogleraren Arminius en Gomarus.

 

Arminianus:

-“God verkiest degenen van wie Hij

   voorziet dat ze zullen geloven

- vrije wil van de mens

- deel van de bevolking

- humanisten

- machtige kooplieden

- regenten

Gomarus (Bruggenaar)

- “God schenkt het geloof aan

   degenen die hij heeft verkoren”

- predestinatie

- enige kooplui

- economisch zwakkeren

- anti-katholieken

- orthodoxe predikanten

- fel anti-Spaans

- Vlaamse en Brabantse

  immigranten, mede door

  uitsluiting van bestuur

 

In 1610 riepen de Arminianen de bescherming in van de SvH, en dienden ze een remonstrantie of verzoekschrift in, waarbij ze ruimte vroegen voor hun liberale standpunt en bezwaar maakten tegen de streng-calvinistische opvattingen over de predestinatie. De Gomaristen reageerden prompt met een contraremonstrantie. De SvH kozen langzamerhand de remonstrantse zijde. De andere gewesten de contraremonstranten. Oldenbarnevelt remonstrants, tenslotte Maurits contraremonstrants. De synode van Dordrecht in 1618 leidde tot een nederlaag voor de remonstranten: afzetting van 200 predikanten, 80 van hen werden verbannen.

Maurits ‘overwinning’ gaf zuidelijke radicale contraremonstranten de kans tot functies door te dringen.

Graaf van Leicester, Robert Dudley, kwam in 1585 en steunde de strenge calvinisten. Dit botste met de meer liberale Hollandse regenten.  reeds in 1587 was zijn rol uitgespeeld.

Vóór het Twaalfjarig Bestand:  
·     
Oldenbarnevelt en de regenten: om economische redenen: de oorlog kostte veel geld en de schuldenlast was groot

Tegen het Twaalfjarig Bestand:  
·     
Maurits en Willem Lodewijk  
·     
Staten van Holland  
·     
militairen (ging ten koste van aantal soldaten)  
·     
meeste predikanten (anti-paaps)  
·     
in handelskringen (Schelde weer open? en de VOC in gevaar)  
·     
zuidelijke immigranten (om zuiden te heroveren)

Voor de vertaling van de bijbel, waartoe tijdens de synode van 1618 was besloten, werden vertegenwoordigers van noord en zuid aangetrokken, die het enorme werk verrichtten in de periode 1625-1635. In 1637 kwam de Statenbijbel van de pers. Deze vertaling was van groot belang voor de eenheid van de Nederlandse standaardtaal. Vele vertalers, plaatsvervangers en revisoren kwamen uit Vlaanderen.

Waar Brabanders en Vlamingen in het noorden mee opvielen was hun kleding, die zwieriger was, met gebruik van stoffen als fluweel, zijde en kant; een schril contrast met de eenvoudige kledij der noordelingen. De zuiderlingen hebben met hun kledij wel invloed gehad, omdat de rijkere kooplieden in het noorden zich op den duur minder stijf gingen kleden: een doorn in het oog van de strakke dominees!

Vanuit Italië brachten de Antwerpenaren mee naar het noorden: de dubbele boekhouding, de wissel, de handelsbank.

De koopmansbeurs zien we in de Lage Landen voor ’t eerst in Brugge (genoemd naar de familie Van der Buerse). Op een stadsplein aldaar kwam men tot financiële transacties. Antwerpen had in 1485 al een beursgebouw. De koopmansbeurs in Amsterdam kwam in 1608-1611.

De zeeverzekering kwam via Italië, Brugge en Antwerpen naar Amsterdam, en was meer van nut bij de gevaarlijke Straatvaart (Middellandse Zee) dan bij de vaart naar de Oostzee.

De tulp kwam vanuit Turkije via Wenen naar de Zuidelijke Nederlanden, en pas later naar het noorden, waar de Zuid-Vlaming Carolus Clusius sterk bijdroeg aan de verdere verspreiding over west-Europa.

Rond 1625 bestond de bevolking van de 9 grootste steden van Holland en Zeeland voor 42% uit Vlamingen en Brabanders van de eerste en tweede generatie.

De drang om terug te keren wordt na enkele tientallen jaren zwakker.

_____________________________________________________________________________

Zeehelden.

Ronald Prud’homme van Reine.  

Vlootheld is als topsporter/muzikant van nu: je kon naam maken met elke maatschappelijke achtergrond; maar ook verschrikkelijk onderuitgaan!

Organisatie:

·      5 admiraliteiten (van de zeeprovincies = dagelijks bestuur):
o    
Amsterdam
o    
Rotterdam
o    
Hoorn / Enkhuizen
o    
Middelburg
o    
Harlingen (vóór 1645 Dokkum)

·      vanaf 1665 had elke admiraliteit:
o    
luitenant-admiraal
o    
vice-admiraal
o    
schout-bij-nacht.

In totaal 15 vlagofficieren.

De 16e vlagofficier is de opperbevelhebber, met aanvankelijk als rang: luitenant-admiraal van Holland en West-Friesland, vanaf 1673 met de rang van Luitenant-admiraal-generaal. De eerste in die rang is Michiel de Ruyter, de 2e Cornelis Tromp.
Basis voor de oorlogsvloot zijn de Watergeuzen.
Eerst als kapers, met commissiebrieven van WvO en broer Lodewijk.
Grote stap is Den Briel.

SvH-Dordrecht zomer 1572: nieuwe vloot onder bevel van WvO, en decentraal georganiseerd; dit laatste hield stand tot 1795!

Na de dood van WvO richtte Leicester 4 admiraliteitscolleges op, ondergeschikt aan de RvS. In 1588 Maurits en SG: komen tot college van superintendentie om toezicht te houden, doch wordt spoedig weer afgeschaft. 1597 definitieve regeling, die stand hield tot 1795:

o     hoogste gezag bij SG

o     5 admiraliteiten:
o    
Rotterdam (de Maze)
o    
Amsterdam
o    
Hoorn / Enkhuizen (Noorderkwartier)
o    
Middelburg
o    
Dokkum (v.a. 1645 Harlingen)

o     elk college bestaat uit 7 door de SG benoemde leden, waarvan 4 door de eigen provincie en 3 uit andere provincies; alleen Zeeland had gecommitteerde raden (dagelijks bestuur) en 3 uit andere provincies

In de loop der tijd per college 10 tot 12 leden, maar de meerderheid bleef uit de eigen regio. Aan het hoofd van alle colleges stond de admiraal-generaal: de stadhouder van Holland. In de periodes zonder stadhouder was er geen admiraal-generaal, maar de SG. In die praktijk nam de raadspensionaris het over. Vanaf 1648: 2x per jaar 2 afgevaardigden van elke admiraliteit in Den Haag bijeen in de zgn. “Haagse Besognes” voor overleg.

Belangrijkste taak van de admiraliteiten:
o    
blokkade Vlaamse kust
o    
konvooiering van koopvaardij en visserij
o    
uitrusten kruiseskaders
o    
beveiliging kust- en binnenwateren.

Hoe aan geld:
o    
konvooien en licenten
o    
SG sprong eventueel bij

Verdeelsleutel van de kosten van 1634-1792:
o    
Holland 58%
o    
Friesland 12%
o    
Zeeland >9%
o    
4 landprovincies <4%-6%

Reguliere zeemacht na Den Briel:
o    
1573 Slag op de Zuiderzee
o    
1574 Ontzet Leiden
o    
1574 nederlaag Spaanse vloot bij Reimerswaal
o    
Vanaf 1583 Duinkerker kapers, onder gezag van Spaanse landvoogd, betekent grote bedreiging.
o    
1588 1e Spaanse Armada (kleine rol Nederlandse marine)
o    
1596: samen met de Engelsen bezetting van Cádiz
o    
1599: actie Canarische eilanden en bij Portugese Sâo Tomé aan de West-Afrikaanse kust
o    
1607: Slag bij Gibraltar, waar admiraal Jacob van Heemskerk sneuvelt
o    
1631 Slag op het Slaak bij Tholen
o    
1639 2e Spaanse Armada: Nederlandse vloot rekent voorgoed af met Spanje ter zee= Slag bij Duins.
o    
1646 einde Duinkerker kapers, want Duinkerken veroverd door de Fransen.
o    
1672-1697 zijn de Duinkerker kapers weer actief.

Vice-admiraal Witte de With 2x (1644 en 1645) naar de Sont om gunstiger toltarieven te bewerkstelligen.

Al in 1646 werden de grootste oorlogsschepen opgelegd; de kleinere moesten gerepareerd worden om als kustbeveiliging te dienen. Uiteindelijk werden alle oorlogsbodems opgelegd, behalve 37 konvooischepen.

Na de dood van Willem II geen admiraal-generaal meer. De admiraliteiten konden meer hun eigen gang gaan, zo benoemden de Staten van de zeeprovincies hun eigen vlagofficieren.

Amsterdam besloot in 1651 weer oorlogsschepen te gaan uitrusten, vanwege de vele schade aangebracht door kapers en zeerovers aan de koopvaardijschepen.

SG besloot 35 oorlogsschepen in zee te brengen:
·     
1e eskader = 15 schepen onder Tromp naar de Middellandse Zee
·     
7 eskaders (20 bodems) van Zuid-Portugal tot zuidkust Noorwegen

Met de komst van Cromwell uitbreiding Engelse vloot, en betere en grotere schepen dan de Republiek.
1651 Acte van Navigatie: dit vergrootte de onderlinge spanning Engeland-Republiek.

1652-1654 de 1e Engelse Oorlog: start omdat Tromp de vlag niet wilde strijken voor Blake, 29 mei 1652 bij Dover. Na kleine succesjes: zware nederlaag in de Slag bij Duins, 8+9 oktober 1652, o.l.v. De With, en die vervangen door Tromp, die op 10 dec. 1652 op Blake een grote overwinning behaalde bij Dungeness, de enige belangrijke zege van Nederland in deze oorlog.
28 febr.- 2 maart 1653 de Driedaagse Zeeslag onder Tromp, verloren door gebrek aan kruit, maar wel een knappe terugtocht.
12+13 juni 1653 bij Nieuwpoort, o.l.v. Tromp een nog grotere nederlaag: 10 vernietigd, 11 veroverd. Daarna blokkade door de Engelsen van de Hollandse en Zeeuwse kusten.
8-10 augustus 1653 Slag bij Ter Heide= nieuwe nederlaag, en dood Tromp, maar wel het einde van de blokkade.
13 maart 1653 succesje bij Livorno, o.l.v. Jan van Galen op een Engelse vloot.

Johan de Witt kreeg de 3 Hollandse admiraliteiten op één lijn, en een tweede opdracht tot een flink aantal oorlogsschepen in dec. 1653.

1654 Vrede van Westminster. Resultaten:
·     
Nederlandse schepen moesten hun vlag strijken
·     
Acte van Seclusie: Willem III voor het leven uitgesloten van stadhouderschap door de SvH.

Er kwamen twee vlootbouwprogramma’s van elk 30 schepen, die in 1653 en 1654 gereed kwamen. Ze waren groter en veel beter bewapend. Ondanks de vrede bleven ze in de vaart. Beter dan 1648 toen SG uitverkoop had gehouden. Het inhuren van koopvaarders voor de oorlogsvaart was voorgoed voorbij.

Vanaf ca. 1665 een nieuw programma: 48 grote en sterk bewapende oorlogsschepen waaronder de ‘Zeven Provinciën’, vanaf 1666 het vlaggenschip van Michiel de Ruyter.

Rond 1670 was de Republiek de leidende zeemacht.

1656 voorkwam de Nederlandse vloot dat Dantzig in Zweedse handen kwam, zonder geweld, o.l.v. Jacob van Wassenaer van Obdam.
1658 ook Obdam in de Sont: bloedige overwinning op Zweden. Vice-admiraal Witte de With sneuvelt.
1659 De Ruyter herovert met de Denen Fünen.
1660 sterft de Zweedse koning en keert de rust in het gebied van de Sont terug.

’50 en 60’er jaren veel last van Barbarijnse kapers in Marokko, Algiers en Tripoli.

1e treffen 2e Engelse Oorlog 1665-1667 is Slag bij Lowestoft, 13 juni 1665, = grote Nederlandse nederlaag. Oorzaak: gebrek aan leiderschap van Wassenaer van Obdam, die daar ook sneuvelt: 8 schepen gezonken, en 9 veroverd, ca. 5000 man gedood, gewond, gevangen. Net daarvoor was De Ruyter naar Afrika en de Amerikaanse oostkust: vooral Afrika was succesvol. 11 aug. 1665 wordt De Ruyter luitenant-admiraal van Holland en West-Friesland, en opperbevelhebber van de vloot. Enige actie 2e helft 1665: bij Bergen (Noorwegen) proberen Engelsen tevergeefs de Nederlandse retourvloot te veroveren. 1666 Vierdaagse Zeeslag: 11-14 juni, tussen Duins en Duinkerken: langste treffen OOIT! Onbeslist. De Nederlanders verloren 4 schepen en hadden 2850 doden en gewonden, de Engelsen 10 en 2450. 

1666, 4 en 5 aug. Tweedaagse Zeeslag voor Duinkerken en Nieuwpoort. Cornelis Tromp was met zijn eskader te ver van De Ruyter af, waardoor de laatste de strijd verloor. Tromp zou ontslagen worden.
1666 augustus: Engelse vloot onder Holmes verovert en vernietigt ca. 140 Nederlandse koopvaarders in het Vlie, en plundert Terschelling.

Engeland leek rijp voor de overwinning, doch: hun geld was op, mede door:
·     
pestepidemie
·     
grote brand van Londen.

1667, 22 juni: De Ruyter (Cornelis de Witt voer mee) vanuit de Theems de Medway op richting Chatham: 15 Engelse schepen vernietigd of veroverd, waaronder het vlaggenschip ‘Royal Charles’. Vrede van Breda: Nieuw-Nederland naar Engeland / Suriname bleef Nederlands.

1672: Derde Engelse Oorlog, plus oorlog met Frankrijk (Munster en Keulen).
1672: 7 juni, Slag bij Solebay: Engels/Franse vloot versus De Ruyter. Resultaat: de vijand werd weerstaan: voorlopig geen Engelse landing of blokkade.
1672: juli: Willem III tot stadhouder en kapitein- en admiraal-generaal benoemd. 1673 Tromp keerde terug als luitenant-admiraal bij de marine. 1673, 7+14 juni, 2x Slag bij Schooneveld ( voor de kust van Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen): opnieuw werd de Engels/Franse vloot weerstaan. 1673, 21 aug. Slag bij Kijkduin: de belangrijkste in de 3e Engelse Oorlog. Doel was landing op de kust. De Nederlandse vloot bestond uit 75 oorlogsschepen, de E/F- combinatie 86. Het werd een strategische overwinning, want de landing werd verhinderd. Eind 1672: in de West werd Nieuw-Nederland heroverd.

1673: De Ruyter door WIII tot luitenant-admiraal-generaal. Na hem alleen nog Tromp, maar die heeft niet in die functie gevaren.
1674 de Vrede van Westminster met Engeland: Nieuw-Nederland weer  naar de Engelsen, Suriname bleef Nederlands.
1674: 2 Nederlandse eskaders nu tegen de Fransen:

·     
Cornelis Tromp: plunderde eilanden voor de Franse kust: Belle-Île en Noirmoutiers
·     
De Ruyter naar het Franse Martinique: vergeefse aanval

Tromp ging op eigen initiatief verder naar Cádiz en Barcelona; daarvoor kreeg hij een forse reprimande.
1675: W III had meer aandacht voor leger dan voor vloot
1676: De Ruyter naar de Middellandse Zee: 2 zeeslagen bij Sicilië:

·     
1e= Stromboli: 8 jan. 1676: De Ruyter hield stand tegen de Fransen
·     
2e= Syracuse: 22 april 1676: zwaar verlies op de Fransen en De Ruyter sneuvelt

1676: Palermo, mei 1676: Spaans-Nederlandse vloot onder Jan de Haen tegen de Fransen: zwaar verlies en De Haen
Oostzee: Republiek, Duitse keizer, Brandenburg, Denemarken tegen de Zweden in 1675 en 1677.
1676: 11 juni: Cornelis Tromp met Deens-Nederlandse vloot behaalt grote overwinning op Zweden: Slag bij Öland.
1678: Vrede van Nijmegen met Frankrijk
1688: 12 nov. WIII naar Engeland: met 76 oorlogsschepen, 300 ingehuurde koopvaarders en 60 vissersschepen: expeditieleger van 15.000 soldaten en 4000 paarden aan boord.
Na drie dagen in de Baai van Torbay. 1689 te Londen: Engeland en de Republiek gaan in de verhouding 5:3 geallieerde eskaders vormen, alles onder Engels commando.
Na Spaanse Successieoorlog (1702-1713) was de Nederlandse vloot van de tweede rang.

Aanstelling vlagofficier is voor het leven. Verdiensten:
·     
luitenant-admiraal: 300 gld p/m
·     
vice-admiraal: 200
·     
schout-bij-nacht: 100
·     
kapitein in vaste dienst: 30, ook aan de wal
·     
kapitein niet in vaste dienst: 30 als er gevaren wordt
·     
luitenant: 30
·     
commandeur: 60
·     
matroos: 12 in tijd van vrede, 18 in tijd van oorlog.

-Andere inkomsten: allen naar verhouding delen in de buit
-Vlagofficier en kapitein in dienst: kostpenningen: waaruit de voeding aan boord betaald moest worden.

De Republiek heeft nooit de dienstplicht gekend.
Hoe aan zeelieden voor de vloot te komen:

·     
vaarverbod alle andere schepen!! Na een expeditie gingen de zeelieden terug naar de koopvaardij

Tweede helft 17e eeuw: 25.000 man op de gehele oorlogsvloot.
In het begin van de 18e eeuw terug naar 15.000
Onder Johan de Witt: nieuw regiment scheepssoldaten, later tot korps Mariniers
Daarnaast bleven gewone soldaten op de schepen.

Zeehelden:  
1572: Den Briel: geuzenadmiraals:

·     
Willem van der Marck, heer van Lumey
·     
jonkheer Willem Bloys van Treslong

1573: Zuiderzee: West-Friezen onder Cornelis Dircksz. verslaan Spaanse vloot onder graaf van Bossu

1574: -Louis de Boisot, luitenant-generaal van Holland en Zeeland, verslaat Requesens bij Reimerswaal
-      
Boisot speelde ook rol bij het ontzet van Leiden

Aanvoerders van de vloot zijn tot 1629 allemaal edelen.

Eerste populaire zeeheld: Jacob van Heemskerk, van gewone komaf:
·     
Nova Zembla 1596+1597
·     
twee reizen naar Indië, tijdens 2e reis: grote Portugese kraak met waarde tot 70 ton goud
·     
1607: bij Gibraltar: groot Spaans verlies, Heemskerk sterft als admiraal
·     
1e staatsbegrafenis sinds WvO.

Tweede populaire zeeheld: Piet Hein (van eenvoudige afkomst)
·     
admiraal van de WIC
·     
1628 verovering Zilvervloot, 1629 terug in Nederland. Buit: 11,5 miljoen gulden. Hij maakte zegetocht door Leiden, Haarlem en Amsterdam.
·     
1629 luitenant-generaal van Holland
·     
1629 sterft in gevecht bij Kaap Griz Nez tegen 3 Oostender kapers
·     
Staatsbegrafenis in Delft

Derde zeeheld: Maerten Harpertsz. Tromp. (bijnaam bestevaer=grootvader)
·     
1637 tot luitenant-admiraal van Holland en West-Friesland
·     
1639 bracht hij een enorme nederlaag toe aan de Duinkerker vloot
·     
1639 met 12 (later 18) tegen 67 zeilen de 2e Spaanse Armada, wat uitliep op de Slag bij Duins, en het einde betekende van de Spaanse maritieme macht in de West-Europese wateren.
·     
Tromps populariteit was groter dan die van De Ruyter
·     
1653 Slag bij Ter Heide: Tromp sneuvelt
·     
Staatsbegrafenis in Den Haag, praalgraf in Delft

Tijdens de 1e Engelse Oorlog hadden de belangrijkste admiraliteiten elk een zeeofficier gekregen die een zeeheld was geworden:
·     
Amsterdam: Jan van Galen
·     
Rotterdam: Witte de With
·     
Noorderkwartier: Pieter Florisz.
·     
Zeeland: Johan Evertsen
·     
plus de aanstormende talenten: Michiel de Ruyter en Cornelis Tromp

Commandant = tussen kapitein en schout-bij-nacht

Tweede Engelse Oorlog: opperbevelhebber is de 16e vlagofficier = luitenant-admiraal Jacob van Wassenaer van Obdam. Hij sneuvelt bij Lowestoft in functie; er was veel kritiek op hem. Obdam kreeg een staand beeld op zijn graf: omdat ie er niet onder lag: bij/na de ontploffing van zijn Eendracht was er niets van hem teruggevonden.
Behalve geëerd kon ’t ook anders: na Lowestoft werd luitenant-admiraal van Zeeland Johan Evertsen bijna gelyncht in Brielle!
De Ruyter: hij was de laatste die door de staat betaald praalgraf kreeg; daarna zorgden de admiraliteiten en familie voor de financiën.
Grafmonumenten kwamen er alleen voor hen die op zee gesneuveld waren.

Kostpenningen:  
de bevelhebber van een oorlogsschip moest zelf het eten en drinken verzorgen. Er was duidelijk omschreven welke voedingsmiddelen en welke hoeveelheden hij per man per dag/week moest geven. Van de admiraliteit kreeg hij 6 tot 7 stuivers per man per dag. Door slim in te kopen kon hij er veel aan overhouden.
De Ruyter hield in 1672 1/3 van de 7 stuivers per man per dag over =  18 stuivers per week = 500 man (de Zeven Provinciën) = ca. 480 gulden per week.
Zijn salaris tot 1665 als commandeur en vice-admiraal was 200 gulden per maand/ 2400 gulden per jaar.
Vanaf 1665 als luitenant-admiraal 300 per maand / 3600 per jaar.
 
Samen: 1920 kostpenning+ 300 salaris per maand= 2220, In euro x 70= 155.400 per maand, plus nog buit!

 Grafmonumenten:
1.     Amsterdam
2.     Rotterdam
3.     Noorderkwartier+Zeeland elk 1
4.     Friesland 0

================================================================

Het Verraad van het Noorderkwartier.

Henk van Nierop.  

Noorderkwartier = benoorden het IJ

ook wel:
·     
Noord-Holland
·     
West-Friesland (iets noordelijker)
·     
Noordeland
·     
Waterland
In jan. 1575 waren 25.420 Nederlanders in het Spaanse leger (van de 56.850 infanterie totaal)
Droogmakerijen in Noord-Holland: vanaf 1450
-in de jaren 40: 3 kleine meertjes
-1561-1567: nog 7, incl. Egmonder- en het Bergermeer ten westen van Alkmaar

(BANNE = rechtsgebied)

In 1e helft 16e eeuw al veel andersdenkenden binnen de RK-kerk, Lutheranen e.a. en vooral anabaptisten in Noorderkwartier door de geïsoleerde ligging en weinig centraal gezag.
1566 = Godsdienstkwestie
1572 = geen godsdienstkwestie, maar tegen optreden van het leger van Alva, en zijn belastingen, en dat tijdens een economische crisis.

Amsterdamse handel volledig uitgeschakeld door de opstandelingen
-1573 haven geblokkeerd door gezonken schepen,doch dit bleek niet afdoende
-1573 Amsterdamse marine op Zuiderzee door de opstandelingen verslagen.

Nu volstond klein eskader om de zeegaten Vlie en Marsdiep af te sluiten voor de schepen van / naar Amsterdam
1578 kwam daarom de omslag van Amsterdam.
Eerder wilde A’dam niemand binnen de poort: geen Spanjaarden en geen geuzen. Pas toen de stad in aug. 1572 door de rebellen werd belegerd, moest ze instemmen met de inkwartiering van een aantal Spaanse compagnieën.

Na 1574 Leiden, kon Filips II 2 dingen doen:
·     
praten over vrede, in Breda; deze mislukten op het punt van de godsdienstkwestie.
·     
vernietiging van Holland en Zeeland, niet door dijken door te steken, maar door het verbranden van ‘alles’, te beginnen met het Noorderkwartier.
Filips II gaf dit laatste plan aan Requesens door.
In het voorjaar van 1575 besloten de Spanjaarden tot deze tactiek van de verschroeide aarde over te gaan.
De aanval kon alleen als ’t water bevroren was, want de Spanjaarden konden niet over water: geen macht.

Tegenacties:
·     
de bouw van schansen (o.a. ’t Kalf)
·     
het slaan van wakken.

De Nederlander Hierges moest het Spaanse plan uitvoeren: eerst het Noorderkwartier, daarna Zuid-Holland. Hierges ging vanuit Beverwijk naar het noorden,maar hij zag dat zijn leger te klein was om verder het Noorderkwartier in te trekken. “Verraad”: de rebellen dachten: waarom gaan de Spanjaarden zo snel weer weg? In het Noorderkwartier zouden lieden zitten, die branden stichtten, zodat de boeren uit hun schansen zouden komen, en het land onverdedigd laten. En zo ontstond een heksenjacht op alle mogelijke verdachten. Twintig mensen werden opgepakt, en bijna allen werden na martelingen gedood. Een aparte onderzoekscommissie kreeg alle vrijheid, incl. martelingen, om achter de waarheid te komen, buiten schepenbanken en gerechtshoven om. Sonoy was als plaatsvervanger van de Prins in het Noorderkwartier en had zich alleen tegenover hem te verantwoorden. (Hetzelfde met Lumey, maar die over Zuid-Holland. (Lumey: martelaren van Gorkum!). S+L hebben zich schuldig gemaakt aan het doden van geestelijken.)

Hoe hoorde het met martelingen te gaan?
·     
Na foltering met bekentenis, moest binnen 24 uur deze bekentenis herhaald worden ‘buiten pijn en banden’
·     
Werd dan ontkend, dan mocht nog een keer worden gemarteld, en daarna niet meer, tot er nieuwe aanwijzingen voor schuld waren.

In dit geval werden de verdachten dagen achtereen gefolterd.
De hoofdverdachten kwamen vrij dankzij de Pacificatie van Gent in 1576, doch ze wilden niet vrij, maar een eerlijk proces, want anders waren ze van schuld nog niet vrij gepleit, hadden ze hun eer niet terug en zouden ze het stempel in de maatschappij steeds houden. Zij wonnen grotendeels het proces, alleen Sonoy werd niet gestraft.
Bij de eerste verdachten ging het om kalissen (zwervers en landlopers) en boeren, die gefolterd en gedood werden. De zgn. hogeren in het verraad: zie boven.

===================================================================

Johan de Witt, Een volmaakt Hollander

Dick Schaap.  

Johan de Witt: bekend  vanwege:
-buitenlandse politiek
-bouw van de vloot
-beheerder financiën
-grondlegger verzekeringswetenschap
-jurist
-wiskundige

Hij gaf ruim baan aan: wetenschappen, humanisme, rede
Hij heeft rente-conversie op lijfrente doorgevoerd
Geboren 1625? of eerder.
Hij stamt uit een regentenfamilie uit Dordrecht, met burgemeesters, pensionaris van Dordt, in SvH, SG
Calvinistische opvoeding
-tegen vermenging religie en politiek
-in Dordt: Illustere school

hobby’s: wiskunde, muziek (viool), poëzie.

Reden waarom JdW tegen de Oranjes was: bang voor dynastieke, absolutistische en centralistische gedachte: ………..Willem II had vader van JdW gevangen gezet op Loevestein.

Landen om Nederland heen: gericht op militaire roem en/of religieuze uniformiteit. De Republiek was meer gericht op: tolerantie, ondernemingslust, expansie.

Slagaders van Engelse handel met buitenland:
-East India Company
-Levant Compagny
-Africa and Guinea Compagny
-Canary Islands Compagny
-Old Merchants Adventures (voor handel in textiel met NL en Duitsland)
-Eastland Company (voor import marinemateriaal uit Oostzeelanden)
-Royal Fishery Company (haringvissen)
-Hudson Bay Compagny (bont en huiden)
-Russia Compagny

1650: Europese scheepvaart = 25.000 schepen, 14 à 15.000 onder Ned. vlag
1660: Ned. werven bouwden 2.000 schepen per jaar.
Gouden Eeuw = stapelmarkt: dus wel voorraad, maar geen productie= geen grote industrie

 Hoogtepunt Johan de Witt: 1668= einde 2e Engelse Oorlog = Triple Alliantie (Rep/Eng/Zweden)=  Vrede van Aken, tussen Frankrijk en Spanje over de Zuidelijke Nederlanden.

 Rantsoen matrozen oorlogsvloot ca. 1660:
·     
per week: 2 pond vlees, 1 pond spek, 1 pond kaas, 1 pond boter, 5 pond brood, 1½ pond stokvis
·     
per dag: 3x pottagie (erwten, bonen, gort), 1x bier.
Dit was de officieel vastgestelde hoeveelheid.

De 1e Engelse Oorlog: Engeland had echte oorlogsschepen, wij koopvaardijschepen met kanonnen.
Tijdens 1e Engelse Oorlog: werd gestart met de bouw van 60 oorlogsschepen. Bij de Vrede van Westminster in 1654 nog niet alles afgebouwd, maar de bouw werd wel voortgezet.
Na die 60 eerst niets meer. In 1664 besloot SG tot de bouw van 24 schepen, in 1665 nog eens 24, in 1666 nog eens 12.
In 1665:
2 met meer dan 70 stukken, 5 met 60 – 70 stukken
In 1666:
2 x 80’ers, 11 x 70’ers, 21 x 60’ers
In 1667:
al 6 x 80’ers

 Hele bouwplan dankzij JdW tot succes, ook dankzij goede samenwerking tussen JdW en Michiel de Ruyter. Tevens door overgang decentralisatie naar meer centralisatie in het zeewezen. Dit leidde tot normalisering in de scheepsbouw en de bewapening.

Voorzitter van elk van de 5 admiraliteiten: admiraal-generaal der Republiek, is meestal de stadhouder. Admiraal-generaal laat zich meestal in de Admiraliteiten vertegenwoordigen door de luitenant-generaal. Aanvankelijk waren er tezamen hoogstens 2 luitenant-generaals; na 1664 had elk college een tijdlang een luitenant-generaal, en die van Amsterdam en Rotterdam zelfs een tweede als de oudste l.g. De opperbevelhebber was van de gehele vloot

Tijdens oorlog: schepen van de 5 admiraliteiten gingen op zee naar een verzamelpunt. In de tijd van MdR bestond de vloot uit 70 à 80 schepen, verdeeld in 3 eskaders. Elk eskader had een eskadercommandant. Elk eskader was weer in 3 verdeeld: samen 9 smaldelen.

-alle steden en dorpen hadden scholen, om te leren lezen (de Bijbel), eenvoudig rekenen en schrijven.
-alle steden Latijnse scholen
-6x Universiteiten:

·     
Leiden 1575 (beroemdste in GE)
·     
Franeker 1585-1811
·     
Groningen 1614
·     
Utrecht 1636 (2e beroemdste in GE)
·     
Harderwijk 1648-1811
·     
Nijmegen 1656-1680 en 1753-1757

-en dan nog de Illustere scholen:
·     
en later verheven tot universiteit: Utrecht, Harderwijk, Nijmegen
·     
andere Illustere scholen: in Deventer, Zutphen, Amsterdam (1632 door remonstranten opgericht, voorloper VU), Rotterdam, Dordrecht, Middelburg, Den Bosch, Breda en Maastricht.

Universiteiten:
·     
letteren en wijsbegeerte
·     
rechtsgeleerdheid
·     
geneeskunde
·     
godgeleerdheid

Sommige Illustere scholen stonden op hetzelfde niveau als universiteiten, maar hadden alleen  t/m 3, en konden geen doctoraten verlenen.

Leiden: in de eerste 26 jaar 2725 studenten, waarvan 41% uit het buitenland.

Lijfrentes: al een oud verschijnsel. Aan JdW de waarschijnlijke eer hieraan een nieuwe ontwikkeling te koppelen, beschreven in zijn “Waerdye van lijf-renten naer proportie van los-renten”, waarbij de kansberekening van het moment van overlijden wordt meegenomen, en daaraan weer verbonden het uit te keren rente-niveau. De basis was, dat de Hollandse overheid aan geld kon komen, daarvoor rente gaf, maar de hoofdsom niet terug hoefde te betalen. Lijfrente gaf 1½ tot 2x hogere rente dan los-rente.

 

Stedenbouwkundige ontwikkeling in Nederland.

W.B. Kloos

 

Verdediging van steden:
·     
eerst omwalling, daarna ommuring, daarna aarden wallen
·     
tegen: bendes, tegen de vijand in oorlogstijd

Steden op strategische plaatsen: wegen/wateren

Vaak hier eerst militaire legerplaats, waaruit zich stad ontwikkelde: Nijmegen, Maastricht (Romeinen). In de Frankische tijd: Utrecht, met Frankische burcht. Burchten vormden wijkplaats voor omwonenden en als beveiliging van de streek. Zo ontstonden steden als Leiden, Breda, Middelburg, Oostburg, Doesburg. Van omwalling met palissaden ging stad(je) naar ommuring, met, indien mogelijk, een natte gracht. Bij smalle rivier: huizenbouw op beide oevers (A’dam, Utrecht). Bij brede rivier: bouw aan één zijde (Kampen, Maastricht).

De meeste steden zijn organisch gegroeid. Soms gestichte steden, die een veel eenvoudiger stratenpatroon vertonen: Den Bosch, Nieuwpoort, Naarden, Elburg. Zo ook kasteeldorpen: woningen bij kasteel, met straten met vaster patroon: Den Haag
-Stad apart van kasteel: Bredevoort
-Stad met kasteel gedeeltelijk binnen de stadsmuur: Montfoort
-Stad met kasteel geheel opgenomen binnen de muren en onderdeel van de muren: Gouda, Hattem

Ontmanteling stadsmuren:
-in de middeleeuwen, als straf vanwege zonder toestemming van de heer gebouwd zijnde.
-na de 80jarige oorlog vaak verwaarlozing, en zelfs tot sloop in de 19e eeuw.

Eerder was er de ontwikkeling van alleen stenen muren naar aarden wallen, die beter bestand waren tegen het zich ontwikkelende geschut:
-vanuit Italië ontwikkelde bastion, hier door Simon Stevin (1548-1620) geïntroduceerd en aangepast = het Oud-Nederlandse Stelsel. Nadeel: teveel vasthouden aan zuiver mathematische figuur.
-Nieuw-Nederlandse vestingbouw is door Menno van Coehoorn (1641-1704):
-vergroting bastions en ravelijnen
-vervallen van de onderwal
-vervanging van de buitenwerken door couvrefaces voor de bastions
-lage maaiveldhoogte rondom
-beter inpassen in de geografische situatie cq. ligging van de stad:

Coevorden, Deventer, Doesburg als voorbeeld van vestingsteden.

In de 19e eeuw ontwikkelde men stellingen, verder van de stad gelegen (A’dam, Utrecht)
In de 19e eeuw ook veel afbraak van stadsmuren en het dempen van grachten i.v.m. stadsuitbreiding.

Stadsuitleg door bevolkingstoename 17e eeuw, want veel buitenpoorters is onveiligheid; daartoe sloop van Middeleeuwse ommuring. Eind 17e eeuw is stopzetting stadsuitleg: minder welvaart, minder inwoners.

 

De Man en zijn Staat.  Johan van Oldenbarnevelt 1547-1619.

Ben Knapen.

 

Bij moord op WvO, 10 juli 1584, was O. , 36 jaar, op weg van Rotterdam naar Delft, en werd betrokken bij de grote bedrijvigheid op het stadhuis van Delft; hij kreeg de leiding over de begrafenisplechtigheden van WvO.
O. was toen stadspensionaris van Rotterdam.

Opleidingen:
-op school in Amersfoort (Latijnse school)
-volontair bij een advocaat in Den Haag in 1564
-student rechten in Leuven tijdens de Beeldenstorm

1574: O. is commissaris van het doorsteken van de dijken in Zuid-Holland, ten behoeve van het latere ontzet van Leiden.
1579 als een van de gedelegeerden van het gewest Holland (als jong jurist), bij de onderhandelingen van de Unie van Utrecht.
1580: O. voor ’t eerst in de SG: als afgevaardigde van Rotterdam in de SvH in de SG. Zijn taak: de financiën van Holland.
geboren 14 september 1547, in of vlakbij Amersfoort.

Eigenlijke naam: Oudenbarnevelt.

Zijn vader (Gerrit van Oudenbarnevelt) kwam uit de lagere middenstand: geen horige relatie, en met voldoende bestaansmiddelen om het hoofd boven water te houden. Gerrit kwam meerdere malen met de rechter in aanraking, i.v.m. niet geheel rechtmatige handelingen, en zou zelfs iemand vermoord hebben.

Op z’n 18e kreeg O. inkomsten van een erfdeel, wat het hem in de zomer van 1566 mogelijk maakte te gaan studeren in de rechten aan de universiteit van Leuven. Hij veranderde toen zijn naam in “Oldenbarnevelt”. In Leuven was hij tijdens de Beeldenstorm. Al na enkele maanden ging hij naar Bourges. Maar ook daar was onrust. Toen maakte hij omzwervingen met een groot aantal studenten. Via Bazel ging hij naar Keulen, waar hij zich als student inschreef. In juni 1568 schreef hij zich in aan de universiteit van Heidelberg, die sterk beïnvloed was door het Calvinisme. Na een jaar trok hij over de Alpen naar Padua, ook voor een periode van één jaar. Met een juridische licentie kwam hij in 1570 terug in Den Haag, en liet zich inschrijven als advocaat bij het Hof van Holland.

Hij wilde de adellijkheid van het geslacht Oldenbarnevelt per acte bevestigd zien.

In 1572 in Den Haag, koos hij voor de Calvinisten. Het Hof van Holland ging weg uit Den Haag, omdat de stad niet ommuurd was, naar Delft, zo ook O. 
Nu kreeg hij lastige klussen met een juridische en politieke kant:  
-als commissaris van het doorsteken van dijken t.b.v. het ontzet van Leiden  
-advocaat voor de SvH bij geschillen met het HvH  
-verdediging van regenten.

Via huwelijk in 1575 met Maria van Utrecht, had hij het grootste vermogen van Delft, met 5 heerlijkheden. Ze kregen tenminste 5 kinderen, waarvan 4 de volwassen leeftijd bereikten.

Eind 1576 kon hij pensionaris van de stad Rotterdam worden. Rotterdam was toen nog niet zo erg beduidend, zoals bv. Dordrecht. Hij was nu een soort van hoogste ambtenaar, en vertegenwoordigde hij zijn stad in de SvH. Bovendien zat hij in commissies van de SvH, zoals SG, en in de nabijheid van de Prins. Hij reorganiseerde de financiën van de stad Rotterdam. Bij de besprekingen van de Unie van Utrecht was O. één van de 6 gedelegeerden van de SvH.

1578: Amsterdam: Satisfactie: Amsterdam stelde de katholieke geloofsuitoefening veilig  
1578: Amsterdam, door samenzwering: de Alteratie: de overgang naar het Calvinisme.  
Afwikkeling door O. namens SvH met A’dam: dit betekende een grote financiële schadepost door O. voor A’dam. Maar door arbitrage van WvO werd die schade deels teruggedraaid. Toch hadden de SvH uiteindelijk financieel voordeel dankzij O. Dus A’dam bleef pissig op O.  
O. moest Anjou vertellen, in opdracht van de SvH, dat zijn macht niet groot zou zijn. Uit frustratie volgde de Franse Furie: Antwerpen 1583.  
Na de dood van WvO zat O. in de commissie die de begrafenis regelde.  
O. was de drijvende kracht achter de lobby om WvO tot graaf van H+Z te benoemen, doch WvO stierf voortijdig.

Nu Frankrijk geen behoefte meer had, na Anjou, ging O. met 11 man naar Engeland in de zomer van 1585. Voor O. was het de eerste diplomatieke buitenlandse ervaring. Wat hielp voor het resultaat was de val van Antwerpen 1585.  
Na 2 maanden keerden de 11 man terug:  
-soldaten, ruiters en geld van Elizabeth I  
-onderpand: Den Briel, fort Rammekens bij Vlissingen, Vlissingen.  
-gouverneur-generaal Robert Dudley = Leicester  
-Engelsen kregen zetels in de RvS.

O. moest alles organiseren rond geronselde troepen, en van de Hollandse steden voorschotten zien te krijgen. Leicester was nog maar net in het land, of de SvH vroegen O. landsadvocaat van Holland te worden: hij zou de schakel worden tussen Leicester en de SvH.

O. zag die functie zo:  
-opstellen agenda  
-opstellen van alle ontwerpresoluties  
-de besluiten formuleren  
-de vergadering voorzitten  
-inrichten van een effectief secretariaat  
-via hem gingen alle besluiten naar buiten  
-hij zou in naam van de SvH handelen  
-correspondentie en persoonlijke contacten met het buitenland zouden via hem lopen  
-in SG zou O. de belangrijkste afgevaardigde van de SvH zijn.

Nu nam hij na 10 jaar afscheid (1576-1586) als pensionaris van Rotterdam; zijn broer Elias volgde hem op.

Leicester dacht de opperste macht te hebben. Binnen 12 maanden had O. hem weg, terwijl de verhouding met Engeland goed bleef!  
Conflicten tussen Leicester en O.:  
-handel met de vijand  
-invloed van Vlamingen in de SG (zij waren de sterkste voorstanders van Leicester)  
-de positie van de jonge Maurits: O. kreeg voor elkaar dat patenten (= bevoegdheid tot troepenbewegingen) en alle konvooigelden van Leicester en de RvS naar Maurits gingen

Leicester dreigt met strijd tegen het Staatse Leger, maar hij weet zich verloren en vertrekt. Bij Elizabeth I is hij uit de gratie en sterft een jaar later. O. liet al snel een document uitgaan, namens de SG, waarin stond dat er geen behoefte meer was aan een buitenlandse vorst om als soeverein van het land te dienen. Dit document ging in 1587 de geschiedenis in als “Corte Vertoninghe” of Deductie. En betekende in feite de start van de Republiek!!

Waarom hield Parma zich zo koest in de Nederlanden:  Hij zou met zijn troepen vanuit Nieuwpoort en Duinkerken bij de Armada 1588 aansluiten om Engeland te veroveren.

Ondanks de Unie van Utrecht:  
-nooit een gezamenlijk defensiebudget  
-nooit een gezamenlijke munt  
-nooit een uniform belastingstelsel

Kroon op zijn diplomatieke werk: Het Drievoudig Verbond in 1596: Rep+Frankrijk+Engeland tegen Spanje.  
De samenwerking tussen O. en Maurits bleek perfect bij de verovering van Breda in 1590. Die gebeurtenis bracht euforie na 10 jaar tegenslagen door Parma (kaart blz. 68)  
Goede samenwerking in het militaire: Maurits en neef Willem Lodewijk (stadhouder van Friesland en later ook Groningen)

Basis goed leger:  
-discipline (commando’s, slagordes)  
-goede betaling

Maurits vermeed veldslagen, maar belegeren was zijn kunst, daarbij liet O. zich regelmatig zien. Na Breda 1590 kwam de herovering in 1591 van Zutphen, Deventer, Delfzijl, en door de dreiging van Parma vanuit het zuiden: Nijmegen. Dus: succes in het eerste aanvalsjaar.  
O. dienst zijn ontslag in, en krijgt van de SvH een flinke salarisverhoging en een eenmalige bonus. Dus hij blijft.
1592: Steenwijk en Coevorden: beiden zijn toegang in de noord-zuid verbinding

Na Steenwijk: O. wilde dat Maurits naar het zuiden ging. Eerste conflict tussen O. en Maurits. Maurits wilde naar Coevorden en veroverde het. Intussen Parma ziek, dus niet actief: geluk voor Maurits. Verovering 1593 van Geertruidenberg, was schoolvoorbeeld van verovering door Maurits. O. kwam ook steeds kijken. 1594 Groningen, en compromis door O.: Groningen en de Ommelanden samen onder Friese stadhouder Willem Lodewijk. Onbesuisd idee van Maurits en O.: tijdelijke verovering van Hoey onder Luik, als verbinding met de Fransen, maar was schending van de neutraliteit van het bisdom Luik. 1597: gevecht in het vrije veld met de Spanjaarden: 2000 Spanjaarden dood, bij Maurits 10 man. Daarna successen van Maurits in  het oosten van het land.

O. had succes met de Hollandse staatslening: wel lage rente (4 à 5%), maar er was vertrouwen.

1599: Toen Groningen weigerde belasting te betalen dreigde O. met de bouw van een dwangburcht of citadel: dit geschiedde!! Daar is later niets van teruggevonden, waarschijnlijk omdat ie niet van steen was gebouwd. Wat Maurits wilde: heer van Breda en Steenbergen, kreeg Filips Willem, die in 1595 in Brabant verscheen.

Pas 1606: goud- en zilvergehalte, gewicht en uiterlijk van munten gestandaardiseerd. Alleen tekst en munttekens varieerden per gewest of stad, zoals nu met de euro.

In de Zuidelijke Nederlanden: vanaf 1596 nieuwe landvoogd: (kardinaal) aartshertog Albertus, broer van de Duitse keizer; hij huwde 1598 met de dochter van Filips II, Isabella. Zij kreeg de Lage Landen als bruidschat. Als het echtpaar kinderloos zou blijven zouden de Zuidelijke Nederlanden terugkeren in Spaanse handen. Albertus wilde vrede met Frankrijk, wat minder dreiging zou betekenen voor Frankrijk uit het noorden, maar de Republiek wilde geen vrede tussen Frankrijk en Spanje!  
1598 gaat O. daarom met grote delegatie met o.a. de 15-jarige Hugo de Groot naar Frankrijk. Uiteindelijk treffen ze koning Hendrik IV aan zijn hof in Angers: overleg tussen O. met Engelse gezanten, Franse adviseurs en Hendrik IV, die neigt naar vrede met Spanje. Toen van Frankrijk naar Engeland: Elizabeth I wilde de oorlog met Spanje wel voortzetten.

1600 Nieuwpoort: riskant (ongedekte flank!), nutteloos, Maurits wilde niet, O. wel.

De twee dochters van O. werden aan adel gekoppeld.

O. investeerde in droogleggingen in Noord-Holland, maar ook bij Rotterdam, in het Westland, in Zeeland en Dinteloord. In 1594 was de aankoop van de heerlijkheid Stoutenburg bij Amersfoort voor hem belangrijk. De voorouders van zijn moeder zouden Stoutenburg in erfleen hebben gehad, dus moest hij wel van adel afstammen. Vanaf de erfenis tot zijn dood vergrootte hij zijn vermogen met 60%.

O. was direct betrokken bij de expedities om de Noord, maar niet meer bij de 3e: de overwintering op Nova Zembla. Ook bij de 1e expeditie onder Afrika naar Indië. Maar omdat meerderen die kant op wilden, werkten ze elkaar bij in- en verkoop fiks tegen. Jarenlang probeerde O. tot een gemeenschappelijke compagnie te komen. Zelfs Maurits werd ingezet. Tenslotte 1602: de oprichting van de VOC.

1601 informeerde Maurits hoe dat ook al weer zat in 1584, toen er plannen waren zijn vader tot graaf te benoemen. O. besloot Maurits tot ‘prince dezer landen” te bombarderen: een nietszeggende titel.

Volgens Hugo de Groot was de Republiek een mengsel van democratie, aristocratie en monarchie, en ieder had daar vrede mee.

Opnieuw hadden de Spanjaarden een knap legerleider: Ambrogio de Spinola, die Oldenzaal en Grol veroverde. Maurits week voor hem.

1603 Elizabeth I sterft, en O. en Frederik Hendrik gingen naar Londen, naar de nieuwe koning Jacobus, waar ze 2e rangs werden behandeld. Jacobus wilde vrede met Spanje, want hij had het te druk met Schotland. 1604: vrede tussen Engeland en Spanje. Dus: geen bondgenoten tegen Spanje. O. zat in een lastige hoek. De Franse koning Hendrik IV wilde wel de soevereiniteit over de opstandige gewesten; Maurits zou dan graaf kunnen worden(!!). Daarom voerde O. een tactisch spel: hij begon zelf onderhandelingen met Spanje. Maar die werden serieus.

Eisen van Spanje:  
-opstandige gewesten niet volkomen onafhankelijk  
-katholieken in het noorden moesten vrijheid van godsdienst krijgen  
-opheffing van de VOC.

In de loop van 1607:  
-Maurits als centrale figuur van de oorlogspartij  
-O. wilde vrede voor de handel

Rond jaarwisseling 1607/1608 in Den Haag: Spaanse delegatie o.l.v. Spinola; aan de Nederlandse kant Willem Lodewijk en  O. Omdat de onderhandelingen niet wilden vlotten, werden de pijlen op een bestand gericht, en niet meer op een definitieve vrede. Maurits stuurde eigen gezant naar de Franse koning, maar die had geen belang bij de Maurits-lijn. O. wist zijn bestand in de SG door te drukken.:  
-tijdelijke erkenning van de onafhankelijkheid  
-bestand van de troepen  
-geen WIC tijdens het bestand  
-niets over godsdienst  
-niets over Oost-Azië.  
-niets over de blokkade van Antwerpen

Als goedmakertje kreeg Maurits van de Franse koning een bak geld, alsmede uit Spaanse handen het zelfde, vanwege te verrekenen oude vorderingen in de Zuidelijke Nederlanden. Niemand werd zo rijk van het Bestand als Maurits.

Termen om O. te karakteriseren: ‘workaholic, nooit dolce vita, controlfreak’

Herhaaldelijk probeerde O. te lijmen in de kwestie Gomarus (predestinatie kerk is 1, staat is 2) en Arminius (vrije wil), maar dat lukte niet. O. wilde geen Nationale Synode, want die zouden Arminius verwerpen, en wellicht een einde maken aan vrije, humanistische Republiek. Toen Arminius stierf werd opvolger gezocht: Conradus Vorstius, maar die kreeg het etiket ‘Sociniaan’ opgeplakt (tegen de 3-vuldigheid, Jezus meer een volmaakt mens dan een Verlosser, nadruk op de eenheid van God), en dat was ketterij. Zelfs de Engelse koning Jacobus bemoeide zich er mee. Resultaat: Vorstius werd verwijderd.  O. werd nu verdacht: -arminiaan, te vrijzinnig  
-vriendje met ’t steeds katholiekere Frankrijk  
-hij wilde vrede met Spanje

Jacobus wilde Maurits de hoogste Engelse onderscheiding geven: het ridderschap in de Orde van de Kousenband. O. zag wat dit betekende!! Maar 4-2-1613 kreeg Maurits de onderscheiding!  
Hugo de Groot, namens O. naar Jacobus. Zij spraken in het geheim over de godsdienstzaken in de Republiek. Dit leidde in 1614 tot de “Tolerantieresolutie”, die de grenzen van het godsdienstig gekibbel vanaf de kansel wees, die door de SvH werd aangenomen, maar niet unaniem, en daarom niet.  
Tijdens dezelfde tocht naar Londen had burgemeester Reynier Pauw juist gepleit voor Maurits (!).

Een nieuw fenomeen was de stemmingmakerij via pamfletten, die gedrukt werden om meningen te verkondigen maar ook om te manipuleren om zaken naar eigen hand te zetten. De machten A’dam met R. Pauw plus Maurits, werden sterker dan O.   1617: omdat contra-remonstranten kerkruimte nodig hadden, viel het oog op de oude kloosterkerk, naast(!) de woning van O. !  3000 mensen braken de kloosterkerk open en hielden er twee dankdiensten. Twee weken later ging Maurits ook naar die kerk!

1617, vlak daarna, komt O. met de SvH tot de “Scherpe Resolutie”:  
-Hollandse steden kregen toestemming eigen soldaten (waardgelders) aan te nemen.  
-Gewestelijke rechtbanken werd de bevoegdheid ontnomen zich te bemoeien met stedelijke vonnissen  
Dit alles was niet onwettig, maar wel de zaak op de spits drijven, richting burgeroorlog!

In deze periode bood O. 3x zijn ontslag in, maar het werd 3x door de Hollandse steden geweigerd. O. werd ziek/oververmoeid, en verbleef in Utrecht. Na maanden, in november 1617 weer naar Den Haag, en diende opnieuw zijn ontslag in: opnieuw geweigerd. Maurits ging met zijn garde naar verschillende steden, om remonstrantse bestuurders aan de kant te zetten om zo de Nationale Synode mogelijk te maken.  
1618 maart: O. weer te bed, in Den Haag, waar hij zijn 40-jarig bestuur beschrijft. Hij schrijft dan ook een brief aan Maurits.  
1618: SG stelt datum vast voor de Nationale Synode. Maurits ontslaat wachtgelders in Utrecht: daar nu dus ook voor de Nat. Synode.  

13-08-1618: Willem Lodewijk schreef naar O.: aanvaard de Nat. Synode. Er volgt nog
één bijeenkomst van delegaties van O. en Maurits.  

29-08-1618: O. wordt in hechtenis genomen.

Maurits trok naar vele Hollandse steden om nieuwe vroedschappen te installeren. Intussen gebeurde er met O. nog niets. O. kreeg geen verdediger, en zag geen getuigen.  
Pas in november 1618 het 1e grote verhoor: O. werd beschuldigd van:  
-landverraad: hij had de Republiek willen uitleveren aan Spanje  
-hoogverraad: vanwege greep naar de macht  
-hij zou de kerk hebben aangetast  
-hij zou Maurits willen hebben afzetten.  
-en….zich schuldig hebben gemaakt aan “Uniebraak”, want met meerderheid SvH had hij zich verzet tegen de Nat. Synode. Maar dat is controversieel, want…. UvU: artikel 13: dat H+Z de religie naar eigen goeddunken zullen regelen.

Proces: 12 rechters uit Holland, 12 van elders, start 7-3-1619.  
-Bewijs van landverraad is niet gevonden  
-Ondermijning van religie en staatsorde wel.  
Voor de doodstraf waren geen argumenten, omdat hij gehandeld had in dienst van opdrachtgevers: SvH. In april 1619 werd duidelijk: de doodstraf!
Maar O. wilde geen gratie vragen (zou bekentenis van schuld betekenen), en Maurits kon geen gratie geven als er geen schuld was bekend.  
In mei 1619 sloot de Nat. Synode af, waarbij de Remonstranten in feite tot ketters werden verklaard.  
12 mei 1619 hoort O. van de doodstraf, en wil Maurits wel om vergiffenis vragen, maar zonder bekentenis.  
13 mei 1619: O. voor de rechters: familiebezit verbeurd verklaard en op het schavot.

Het bezit in Holland bleef later in de familie.  

================================================================

De Geschiedenis van het Protestantisme in Vlaanderen.

E. Pichal.  

Eerste Noord-Nederlandse protestante martelaar = Johannes Pistorius = pastoor Jan de Bakker in Den Haag: 15-09-1525.

Latijnse taal op universiteiten de voertaal: gemakkelijk in de internationale contacten, ook bij de verspreiding van het Humanisme, Lutheranisme en Calvinisme.

1566 = Wonderjaar (??)

1577, 23 september: blijde intrede van WvO in Brussel.

“Confessio Belgica” of “Nederlandse Geloofsbelijdenis” van Guy de Bray of Guido de Brès (Waal) in 1560, nog vóór de Heidelbergse Catechismus (1563).

 

De burger en de hoer.

Lotte van de Pol.  

Na Londen en Parijs was A’dam de 3e stad in grootte: in de 17e eeuw groeide ze van 54.000 naar > 200.000 inwoners. In de 18e eeuw tot 240.000, maar daalde na 1770 tot ca. 210.000. In de tussentijd was Napels de 3e stad geworden.  
A’dam: veel immigranten en toeristen, havenstad, centrum van handel en verkeer.  
Ook: vrouwenoverschot, vaak arme immigrantes.  
Door de eeuwen heen: een gematigd overheidsingrijpen.

Hoererij is als begrip niet meteen gekoppeld aan betaalde seks. Aantal hoeren 1650-1800: ca. 800-1000 op een bevolking van ruim 200.000.  
Indeling:  
-vrouwen die zich laten onderhouden  
-vrouwen in stille hoerhuizen  
-vrouwen die zich openlijk aanbieden  
-tippelaarsters (kruishoeren / straathoeren), meestal samen met bedelarij / beroving

Organisatie prostitutie was in de 17e eeuw grotendeels in handen van vrouwen.  
In de 18e eeuw zijn  meer mannen betrokken bij de ‘business’.  
Hoerhuis is een bordeel, waar ook vrouwen naar toe gaan als ze buiten een man hebben opgepikt. Om risico te spreiden hadden de vrouwen die een hoerhuis leidden liever 2 kleine bedrijfjes dan 1 grote. Ook in de 16e en 17e eeuw trokken hoeren al van hoerhuis naar hoerhuis, en van stad naar stad. Vanaf 1578 was prostitutie in A’dam verboden en moesten de hoerhuizen wel kleinschalig of half ondergronds zijn.

Speelhuizen waren van oorsprong gewone muziekhuizen, maar vanaf het laatste deel 17e eeuw burgerde er het dansen in, en lokten deze huizen ook prostituees die op zoek waren naar klanten.

De gereformeerde kerk vond muziek al matig, dans was eigenlijk van den duivel, maar hoererij was nog een graadje erger!

In een speelhuis kon men ook gewoon toeschouwer zijn. Vanaf eind 17e eeuw tot in de 19e eeuw waren er in A’dam een kleine 25 speelhuizen, annex hoerhuizen. De grootste onkuisheid vond in een speelhuis meestal plaats achterin het pand of op de bovenverdieping; vaak waren ook hoerhuizen in de directe omgeving.

Straatverlichting in A’dam vanaf 1670: zo’n 1800 stuks. Dit bracht een stukje veiligheid in de eerst duistere stad, maar in de periode er na gaf het wel een sterke impuls aan het nachtelijke uitgaansleven. In dezelfde periode is de opkomst van de speelhuizen. Ook in dezelfde periode steeg het aantal nachtwachten van 300 naar 480.

Eind 17e eeuw werden behalve de prostituees ook de organisatoren getroffen door boetes, confiscering etc.  
Door het strenge optreden verminderde het aantal speel- en hoerhuizen in het begin van de 18e eeuw, en werd de prostituee de straat opgestuurd, zodat de organisatoren minder snel gepakt konden worden. 
In het laatste deel van de 18e eeuw werd de prostitutie meer getolereerd, als de dames zich maar niet in de openbaarheid lieten zien. Zo kwam er een ontwikkeling van grotere en luxere speelhuizen.

Omdat het kleinere aantal speelhuizen naar de achterbuurten verhuisde, werd het minder aantrekkelijk voor de betere stand om daar te komen.

Wie was eerloos of oneerlijk:  
·     
vreemdeling (vaak)  
·     
andere godsdienst dan calvinistische (vaak)  
·     
werkeloze  
·     
misdrijfpleger  
·     
overspelpleger  
·     
ontuchtpleger  
·     
onbetrouwbaar in geld  
·     
meisje, geen maagd meer  
·     
prostitutie  
·     
kermisklanten  
·     
kwakzalvers  
·     
soldaten en matrozen van VOC en WIC  
·     
vrouwenwerk door mannen

In 1494 brak syfilis uit, die epidemische vormen aannam; het was een tot dan toe een onbekende ziekte, maar al snel begreep men dat ’t door seksueel contact werd overgebracht.

De bescherming die de RK-kerk bood als zorgende moeder stond recht tegenover de ideeën van de Calvinistische kerk: bij de katholieken kon een hoer tot een beter leven komen en kon vergeving van de zonden krijgen; in de Protestante kerk moest de zondaar gestraft worden voor zijn ernstige fouten.

Alteratie 1578 A’dam: prostitutie is verboden; in 1580 voor Holland en West-Friesland: “Politieke Ordonnantie” is vastlegging huwelijks- en zedelijkheidswetgeving. A’dam vulde in 1580 dit aan met een prostitutiekeur: vooral gericht tegen organisatoren van hoererij. Straf: tentoon staan op het schavot, en boete. De 2e keer: geseling en verbanning. Deze keur bleef tot 1811 geldig.

Schout =  
·     
hoofd van de politie  
·     
officier van justitie  
Hij formuleerde de eis.

De schepenen spraken als rechter het vonnis uit. De schout had 12 eigen dienaren of schoutsknechten. Verder nog 5 onder- of substituut-schouten. ’s Nachts liepen de ratelwachten, per tweetal. Vanaf 1672 480 in getal.

Zij brachten verdachten op naar wachthuis of kortegaard. Daar werd afgehandeld door de kapitein:  
·     
vrijlaten, of  
·     
afkoopsom en wegwezen, of  
·     
voorarrest

De straffen waren meestal betrekkelijk licht:  
·     
1e arrestatie: waarschuwing  
·     
2e of 3e arrestatie: verbanning uit de stad (kon men in andere stad weer verder gaan)  
·     
zware straf: Spinhuis (3 maanden tot 1 jaar)  
·     
recidive = gevangenisstraf 1 à 2 jaar.

Spinhuis 1597 gesticht als werkhuis voor arme en bedelende vrouwen, plus hoeren uit de bordelen. Het doel is: heropvoeding.  
Rasphuis is voor mannen. Beide huizen werden tot strafgevangenissen.  
1654 kwam er het Nieuwe Werkhuis: werd wel gebruikt voor gedwongen opsluiting, maar werd niet als ‘oneerlijk’ beschouwd.  
De Spin- en Rasphuizen stonden open voor bezoekers: oneervol! In het Spinhuis aanvankelijk eerst echt spinnen, later vooral naaiwerk.
Spinhuis: voor maximaal 80 gevangenen. Per jaar waren hier gemiddeld < dan 10 prostituees en enkele hoerwaardinnen.

Het aantal prostitutieprocessen per jaar bekeken geeft een grillig beeld. Het gemiddelde aantal steeg tot de top van 264 processen in 1698. Daarna is er een scherpe daling:  
-in de 18e eeuw werden meer zaken buiten de rechtszaal afgehandeld  
-tegen ’t eind van de 18e eeuw werd prostitutie oogluikend toegestaan.

Schikking: legaal was de regeling:  
⅓ deel voor de schout persoonlijk
 

⅓ deel voor de aanbrenger van het delict: vooral dienaars en substituten  
⅓ deel voor de stad.

Compositie = afkopen van een proces.  
De schout behoorde tot de Regentenstand, had meestal rechten gestudeerd en was vaak schepen of burgemeester geweest. Tot ca. 1670 werkte de schout nog ‘op straat’. Later liet hij dat geheel over aan zijn minderen.
De schout werd voor 3 jaar benoemd. Penningen aannemen, corrupt zijn, was, hoewel streng verboden, niet zeldzaam.

A’dam 1500: 8.000 inwoners: 1 schout en 12 dienaren  
A’dam 1700: ca. 160.000 inwoners: 1 schout en 24 dienaren.

In geval betrokken te zijn bij prostitutie, was dit vooral link voor:  
·     
joden (want die mochten geen seks hebben met christenen)  
·     
getrouwde mannen.

 

De Parels en de Kroon.

Gert Oostindie.  

Maurits ontvangt in 1602 als ‘koning’ een delegatie van de sultan van Atjeh = 1e bezoek uit Oost-Indië. Stadhouder had die titel nodig, want elders werd het begrip ’republiek’ niet begrepen.

Wel actief: Johan Maurits van Nassau-Siegen, in Brazilie, van 1637-1644, maar hij was geen Oranje, wel neef van Maurits en Frederik-Hendrik.

De stadhouders hadden wisselende invloed op het koloniale beleid. In de koloniën werden de stadhouders op afstand gehouden door de zelfstandig opererende WIC en VOC.

Maurits verschafte ‘geleidebrieven’ aan de schippers van expedities. Maurits steunde ook in het geheim expedities van Moucheron naar West-Afrika, en  diens poging via de Noord Indië te bereiken, als tevens bij een onderneming die ter kaapvaart ging in Brazilië en Afrika. Maurits werd ook ingezet door de SG om de Zeeuwse weerstand tegen de VOC weg te nemen. Maurits was tevens actief bij de oprichting van de WIC.

De SG kenden hem (M) het recht toe op een deel van de opbrengsten van koloniale en kaapvaart: 10%.

Na de dood van Maurits waren de VOC en WIC al sterk, en hadden Frederik Hendrik en Willem II minder ruimte voor eigen beleid, hoewel ze wel betrokken bleven bij het bewind. Willem III’s invloed op WIC en VOC was niet groot. Hij richtte zich meer op de Europese politiek, maar hij had nog steeds recht op uitkeringen van de compagnieën. Vanaf 1602 kregen de stadhouders 1/10 deel van de buiten ten noorden van de Kreeftskeerkring, en 1/30 van zuidelijker buiten.

T/m Willem V zaten de stadhouders in het bestuur van de VOC, maar ze lieten zich meestal vertegenwoordigen door een commissaris. Willem V hield zich persoonlijk bezig met de koloniën, meestal vanwege de slechte ontwikkelingen tijdens de 4e Engelse Oorlog. In 1795 gaf Willem V vanuit Engeland (Kew) de bestuurders in alle koloniën hun gezag voorlopig over te dragen aan de Britten.

Na de Napoleontische tijd zou Engeland de Kaapkolonie, Ceylon, Berbice, Demerara en Essequibo niet meer afstaan.

Na de dood van Maurits werden de stadhouders steeds minder een drijvende kracht in het koloniale beleid:. Het bestuur was:  
1.     een zaak van de compagnieën  
2.     een zaak van de SG  
3.     dan pas een zaak van de stadhouder.  
Daarom was hun rol bescheiden. Waarschijnlijk hadden de Oranjes geen grote bezittingen en investeringen in de koloniën.

Wel deelden ze in de opbrengsten:  
1.     door directe uitkeringen van de compagnieën  
2.     indirect door de SG

Wel speelden ze een belangrijke symbolische rol.

Na Napoleon: in 1815, in de grondwet: koning bij uitsluiting het opperbestuur over de koloniën en bezittingen van de staat in andere werelddelen. = absolute macht!  
In 1848 kwam deze macht onder parlementaire controle. Vanaf 1824 was Willem I actief betrokken bij de koloniën, en was hij een grootinvesteerder van de NHM, die onder zijn leiding werd opgericht. Willem II wilde zelfs zijn 2e zoon Alexander als GG naar Indië sturen: J.C. Baud wees hem op de vele nadelen van zo’n benoeming.
Vanaf 1848 was de Minister van Koloniën de eerst verantwoordelijke voor het beleid in de koloniën.

Toen de slavernij werd afgeschaft:  
·     
in de Oost: 4.735  
·     
in de West: 34.000 in Suriname, en 12.000 op de eilanden.

Emma en Wilhelmina waren grote voorstanders van de pacificatie in de Oost, en bewonderaars van bv. Van Heutsz.. Wilhelmina moest niets hebben van het opkomend Indonesisch nationalisme. Belangstelling koloniën: W I, Emma, Wilhelmina veel; WII en WIII weinig.

Juliana is de eerste vorst in Indië / Indonesië, in 1971.

Na de val van Nederlands Brazilië gingen veel sefardische joden (sefardim) in de 17e eeuw naar de Nederlandse koloniën in de Caraïben, omdat ze daar religieuze en economische vrijheid genoten.

Het koningshuis kreeg in de West veel glans door de ‘Emancipatie’: afschaffing van de slavernij, die men toeschreef aan Willem III (!!!)  
Hoe moest men het Oranje-gevoel in Indië opwekken?  

·     
via de christelijke kerk  
·     
via de ambtenarij  
·     
via het leger  
·     
via het onderwijs.  
Eerste koninklijke gast: Hendrik, de 3e zoon van de latere Willem II, in 1837. Pas daarna 1971 Juliana, en 1995 Beatrix.  
Hendrik in 1837: een reis van 7 maanden. Hij ontmoette er de gevangen prins Diponegoro; publiekelijk sprak hij zich niet uit, wel schreef hij kritische kanten over de manier waarop inlanders behandeld werden.

Stadhouder Willem IV werd in 1747 benoemd tot opperbevelhebber van VOC en WIC.

Elmina: naar GB, in ruil voor het Britse afzien van claims op Noord-Sumatra en het toestemmen in rekrutering van contractarbeiders in Brits-Indië t.a.v. Suriname.

Toespraak Wilhelmina voor Radio Oranje Londen 6-12-1942, = Indie 7-12. = grondslag voor het Statuut dat de nieuwe vormgeving vastlegde van het Koninkrijk der Nederlanden met inbegrip van Suriname en de Nederlandse Antillen. Voor Indië kwam het te laat.  

Dirck Volckertszoon Coornhert. Dwars maar recht.

H. Bonger,  J.R.H. Hoogervorst,  M.E.H.N. Mout,  I. Schöffer,  J.J. Woltjer (red.)

 

I.Schöffer: “Coornhert (1522-1590)”

Coornhert werd uit gegoede ouders geboren in Amsterdam. Op 16-jarige leeftijd gaat hij op een educatieve reis naar Frankrijk en Spanje.  
Zichzelf heeft hij zich altijd als katholiek beschouwd, maar wel als ruimdenkend mens. Overtuigde katholieken zagen hem als ketter.  
In 1541 kwam hij in dienst van de hoge edelman Reinoud III van Brederode op Batestein bij Vianen als hofmeester.

Reeds na twee jaar keerde hij terug naar Haarlem, waar hij van 1543 tot 1567 zou blijven wonen en hij hervatte er zijn werkzaamheden als graveur. Hij bekwaamde zich verder als jurist. Ook werd hij als schrijver actief. Tevens begaf hij zich op het terrein van de ethica, waarbij hij bewust de Nederlandse taal gebruikte.

In 1562 werd hij te Haarlem tot stadssecretaris benoemd. In de woelige jaren 1565 en 1566 werd hij voor Haarlem de boodschapper en onderhandelaar, waardoor hij in contact kwam met Willem van Oranje. Ze hadden dezelfde ideeën over o.a. de bestuurlijke autonomie van gewest en stad, en de wens een einde te maken aan de heftige kettervervolgingen. Prins en Coornhert hadden een afkeer van de beeldenstorm van 1566. In Haarlem kwam geen Beeldenstorm, wèl mochten de protestanten buiten de stadsmuren een noodkerk bouwen.  In 1567 week hij uit naar Keulen en was in juli (twee maanden later) al weer terug, omdat jij dacht dat dit veilig genoeg was. In september 1567 werd hij in Haarlem gearresteerd, opgesloten in de Gevangenpoort in Den Haag. Na enige verhoren werd hij vrijgelaten, en moest op erewoord beloven in Den Haag te blijven. Doch toen het leek dat hij opnieuw gearresteerd zou worden, vluchtte hij opnieuw naar Keulen, waar hij in mei 1568 arriveerde. Hij vestigde zich in Xanten.  
In september 1568 werd hij bij verstek alsnog tot verbanning veroordeeld en werden al zijn bezittingen verbeurd verklaard.

Hem stonden de, in zijn ogen, harde leer van de voorbeschikking van Calvijn tegen, zo ook tegen alle stromingen die andersdenkenden verketterden. Volgens hem beschikte ieder mens over een vrije wil, die niet door de staat of enige religie in een bepaalde richting mocht worden gedwongen. Gevolg van zijn libertijnse levensbeschouwing was, dat hij zowel van katholieke als protestante zijde werd verketterd, vooral omdat hij luid en duidelijk, in woord en geschrift, zijn mening kenbaar maakte.

In 1572 was hij korte tijd terug, in dienst van de Prins in de functie van secretaris van de Hollandse Staten, en hij als zodanig onderzoek verrichtte naar de klachten over de wandaden waaraan de troepen van Sonoy zich hadden schuldig gemaakt. Na heftige bedreigingen van de kant van Lumey en de kant van Alva keerde hij terug naar Xanten.

Na de Pacificatie van Gent keerde Coornhert terug naar Haarlem, en was er werkzaam als notaris.

Van 1580-1585 zou hij in Haarlem blijven wonen. Na de dood van de prins werd de druk op hem weer groot, en in 1585 verbleef hij enige tijd in Emden.

Van 1588 tot zijn dood in 1590 woonde hij in Gouda.

Christiane Berkvens-Stevelinck: “Coornhert, een eigenzinnig theoloog.”  
Coornhert is moeilijk in een hokje te plaatsen. Hij kan een spiritualist worden genoemd, maar dan wel een rationele. Ook dichtte men hem toe zowel mysticus als libertijn te zijn, en dan libertijn in de zin van een ‘eigenzinnig denker.’ Coornhert was katholiek van huis uit, en zou later geen enkele confessionele kerk het predikaat ‘ware kerk’ meer toestaan. Hij was fel tegen de leer van die kerken die de mens als ‘geneigd tot alle kwaad’ zag en gebukt onder de erfzonde, en die kerken zouden volgens hem niet het predikaat ‘christelijk’ verdienen. Hij vond dat hun onderlinge strijd alleen maar onbelangrijke en niet noodzakelijke geloofspunten juist belangrijk maakten. Coornhert zag de echte geloofsgemeenschap dwars door alle verschillende christelijke stromingen lopen.

Het humanistische element zien we bij hem terug in zijn veelzijdigheid, zijn vertrouwen in de mens, zijn hunkering naar vrij gezochte en verkregen kennis en zijn diep geloof.  
Coornhert bleef dicht bij de bijbel, maar confessionalisme stond ver van hem af. “De mens is met Gods hulp in staat om volmaakte te worden”.

Stoïcijnse filosofie zien we bij hem als hij het heeft over de noodzakelijke behoefte van de mens, die, mits de juiste maat wordt gehanteerd, geen kwaad doet. Anders is het gesteld met de begeerten, die de innerlijke vrede verjagen, en veel kwaad berokkenen.

Het een en het ander zorgde voor een fel treffen tussen hem en de gangbare calvinistische zondeleer. Voor Coornhert is de mens zèlf schepper en verrichter van de zonde, en dat uit vrije wil.  
Coornhert was vooral fel tegen het idee van het dogma van de erfzonde. Augustinus ontwierp deze leer in de 5e eeuw. Deze leer kon ook niet volgens Coornhert, omdat de mensheid er van verlost is door de kruisdood van Christus. De predestinatieleer verwerp hij als ‘monstrueuze opinie’ en zijn er net als bij de erfzonde geen bijbelse gronden voor te vinden.

De kern van Coornherts denken is de volmaaktheidsleer: de mogelijkheid voor de mens om een staat van volmaaktheid te bereiken, terwijl die mens met beide benen op de grond leeft en in het midden van de samenleving.  De volmaaktheid is te bereiken in geleidelijkheid, en ontwikkeld met de groei van zijn wijsheid. Tenslotte leeft Christus in de mens zelf, en is hij helemaal gericht op het dienen van de medemens.

Het geloof is voor Coornhert een gave Gods, bedoelt voor iedereen die er kennis van neemt en het vrijwillig aanvaarden wil. Godsdienstvrijheid is voor hem letterlijk ‘een recht van de mens’.

De Staat moet volgens Coornhert godsdienstvrijheid voorstaan, en zich niet bemoeien met inhoudelijke geloofszaken, en dus is het vervolgen van ketters onaanvaardbaar.

Zijn verdraagzaamheid geldt ook voor ongelovigen en atheïsten, en valt onder het recht op geestelijke vrijheid.

Coornhert heeft nooit een stroming of richting willen stichten. Wel waren er aanhangers van zijn ideeën, die zich ‘libertijnen’ of ‘perfectisten’ noemden, vooral te vinden in Haarlem en Gouda. Zijn ideeën vonden partieel ook weerklank bij de Rijnburgse Collegianten en later de Piëtisten.

W.Bergsma: “Godt alleen mach die ziele dooden”. Coornhert en de godsdienstpolitiek.  
Zijn felle en op vaak uiterst scherpe wijze gevoerde strijd voor godsdienstige verdraagzaamheid heeft hem bij sommigen een slechte naam bezorgd.

Coornhert zag als interne oplossing van de religieuze diversiteit in de Nederlanden en de spanningen die dit gaf, de godsdienstige verdraagzaamheid. Wat hij niet kon bevatten en waar hij zich over bleef verbazen, was het doden van ketters, omdat het volgens hem averechts werkt. Zijn argumenten om het ketterdoden te weerleggen:

  • het geloof is een gave Gods
  • met geweld mag godsdienst nimmer worden opgelegd.
  • Zijn Gulden Regel, of ‘wet der nature’: “Alles nu wat gij wilt, dat u mensen doen, doet gij hun ook aldus, want dit is de wet en de profeten” (Matth. 7,12).  Hij beschrijft dit in zijn “Proces van ’t  Ketterdoden.”
  • Hij beschouwt ceremoniën als niet noodzakelijke rites, en de sacramenten zijn voor hem van weinig belang.
  • De Geest Gods is vrij en is niet aan de uiterlijke kerk gebonden. De ware kerk is onzichtbaar, en die kerk bestaat uit wedergeboren christenen (zij die tot inzicht zijn gekomen), en ’t maakte niet uit of ze zich nu papist, calvinist, lutheraan of wederdoper noemen.
  • Omdat Christus alleen een geestelijk zwaard heeft, en geen wereldlijk, mag een ketter niet door de staat worden gedood: “Godt alleen mag die ziele dooden”. Ongelovigen en zelfs atheïsten moeten vrij zijn in hun mening.

Coornhert had veel moeite met de gereformeerden, omdat ze volgens hem, met hun fanatisme hun geloof, als minderheid zijnde, wilde opdringen aan de meerderheid. Coornherts ideeën over een soort van oecumene waren niet reëel en naïef, en zeker niet tot stand te brengen in die tijd.  
Maar de hekel was wederzijds door zijn aan ‘onverdraagzaamheid grenzende zendingsijver’, waarbij hij geregeld op de man speelde.

H. Bonger: “Prins Willem van Oranje en Coornhert”.  
In de literatuur over Willem van Oranje wordt niet of nauwelijks zijn vriendschap met Coornhert gerept. De reden hiervoor?  
In september 1565 maakt Willem van Oranje in Haarlem kennis met de secretaris van de burgemeesters, Coornhert. Coornhert is dan bekend als etser, graveur, als vertaler, als dichter, en als schrijver van een traktaat “Verschooninghe van de Roomse afgoderije”, dat fel wordt veroordeeld door Calvijn, vanwege het relativeren van godsdienstige ceremoniën, en het feit dat Coornhert de onzichtbare kerk een zuiverder gemeenschap vindt dan de zichtbare.

Eerder is Coornhert in dienst geweest van graaf Reinoud III van Brederode, op het slot Batestein te Vianen, en omdat hij alle Brederodes kent, wordt hij de tussenpersoon tussen de Prins, het Haarlemse gemeentebestuur en de grote geus Hendrik van Brederode. Coornhert heeft dan de rol om Hendrik te matigen, en door de gesprekken hierover met de Prins ontstaat een vriendschap.  
In 1566 is Coornhert bij de Prins in Breda, en deze vraagt hem bij hem in dienst te treden als agent of als adviseur.  
(In 1566 weigerde Willem van Oranje de nieuwe eed van trouw aan Filips II af te leggen.) Coornhert weigert de functie; toch blijft de vriendschap, toch blijft hij adviseur van de prins. Het thema geloofsvrijheid is voor beiden uiterst belangrijk.

Zowel de Prins als Coornhert veroordeelden de Beeldenstorm: beiden hadden geen enkele sympathie voor de fanatieke calvinisten. Mede dankzij Coornhert wordt Haarlem behoed voor de Beeldenstorm, omdat ze de radicalen zover krijgen de stad te verlaten. Ook weet Coornhert het voor elkaar te krijgen, in opdracht van de Prins, dat de radicalen de Minderbroederskerk in Amsterdam ontruimen: zij mogen buiten de stadsgrens een noodkerk bouwen.

Als in 1567 de zaak verloren lijkt door de komst van Alva, gaat de Prins naar Dillenburg, en vertrekt ook Coornhert: korte tijd Deventer, Keulen, Emmerik, waar hij een uitnodiging van de Prins ontvangt: ze ontmoeten elkaar in Siegen.

Eind juli 1567 keert Coornhert naar Haarlem terug, maar hij wordt er 14 september 1567 gearresteerd en in Den Haag gevangengezet. Omdat hij alleen ’s nachts in zijn cel moest zijn, en zich overdag vrij in Den Haag mocht bewegen, maakte hij van de gelegenheid gebruik en vluchtte naar Duitsland. Hij wordt bij verstek veroordeeld, en zijn bezittingen worden in beslag genomen. Na korte tijd in achtereenvolgens Keulen, Gogh en Wesel te zijn verbleven, vestigt hij zich in Xanten.

De schrijver van het ‘Wilhelmus’ zou Marnix van St. Aldegonde geweest kunnen zijn. H. Bonger houdt het op Coornhert, gebaseerd op het feit dat de manier van dichten van Coornhert meer gelijkenis vertoond met ’t Wilhelmus dan ’t werk van Marnix dat doet.

Na Den Briel ontmoeten de Prins en Coornhert elkaar weer in het Overkwartier van Gelre. Coornhert wordt dan gevraagd voor een hoge functie in bevrijd gebied. Uiteindelijk wordt hij, tijdens de Statenvergadering van 3108/0109 –1572 in Haarlem op advies van de Prins, benoemd tot secretaris van de Staten van Holland. Tijdens de eerste vrije Statenvergadering in Dordrecht was er aan Coornherts voorwaarde van vrijheid van godsdienst voor protestanten èn katholieken voldaan.  
Coornhert krijgt de opdracht te rapporteren over de wreedheden van de geuzen begaan in Kennemerland. Lumey spreekt dan zulke dreigende woorden dat Coornhert als balling naar Duitsland-Xanten vertrekt, en zo net ontkomt aan het Beleg van Haarlem. Dit betekende het einde van zijn politieke loopbaan.

In 1573 trad Willem van Oranje tot de gereformeerde kerk.

Pas na de Pacificatie van Gent in 1576 kan Coornhert terugkeren: 22-01-1577 is hij weer in Haarlem. Vóór hij terugkeerde heeft hij in Veere een ontmoeting met de Prins, die hem vraagt voor een hoge regeringsfunctie; Coornhert weigert, omdat hij zich zo gehaat weet bij de gereformeerden.  
Coornhert schrijft een overtuigend pleidooi voor de scheiding tussen kerk en staat in zijn in 1582 geschreven boek “Synodus vander conscientien vryheydt”.  
Na de dood van Willem van Oranje op 10 juli 1584 ontvalt Coornhert de steun tegen zijn gereformeerde vijanden, en hij vlucht naar Emden.  
Zowel de Prins als Coornhert maakten een duidelijk onderscheid tussen de necessaria en de non-necessaria in het geloof. Omdat beiden zich richtten op de necessaria van het christelijk geloof konden zij de geloofsvrijheid voorstaan. Ook vonden zij elkaar in hun afkeer van fanatisme.

M.F. Fresco: “Coornhert en de Oudheid. Een verkenning.”  
Coornhert kende geen Grieks, maar heeft wel als volwassen man zich het Latijn eigengemaakt. Het Latijn gaf hem toegang tot het werk van de kerkvaders als Augustinus, maar kon hij ook doordringen tot het werk van de antieke auteurs.  
In zijn geschriften echter was hij hardnekkig in zijn houding om in zijn moedertaal te schrijven. Volgens Fresco is het hele filosofische referentiekader bij Coornhert op de Oudheid gebaseerd. Waarschijnlijk was het werk van Cicero voor Coornhert een belangrijke tussenschakel voor veel platonisch, aristotelisch en stoïsch gedachtegoed, zo ook het werk van Seneca.

Anneke C.G. Fleurkens: “Leren met Lust. Coornherts toneelspelen.”  
“Toneel leert door middel van aangenaam vermaak.”  
Er zijn tien overgeleverde toneelspelen van Coornhert. Van zijn gehele oeuvre maken zijn toneelspelen maar een beperkt deel uit. Toch is hij een van de meest vruchtbare Nederlandstalige toneelauteurs uit de tweede helft van de 16e eeuw.  
Hij schreef stukken vaak in een periode van gedwongen ledigheid:  

  • tijdens zijn gevangenschap in de Gevangenpoort te Den Haag
  • tijdens zijn verblijf als banneling in Duitsland in de periode 1568-1576 (afgezien van een onderbreking in 1572)

De thema’s hebben vaak een relatie met zijn eigen situatie in zo’n periode. Coornhert schreef buiten het  verband van de rederijkerskamers.  
Dan verschijnen in 1582 ineens vier nieuwe titels.  
Alle spelen van Coornhert dragen ethisch-religieuze lering uit, waarbij zijn opvatting van de volmaakbaarheid steeds een plek krijgt: de gedachte dat de mens op aarde in vertrouwen op Gods genade in Christus en in samenwerking met God geleidelijk aan in staat is de menselijke volmaaktheid te bereiken in het onderhouden van Gods gebod.  

Voor zover bekend is slechts
één keer een toneelstuk van Coornhert uitgevoerd: “Blinde voor Jericho”, in Deventer in 1584.

Arie-Jan Gelderblom: “Nieuwe stof in Neerlandsch”. Een karakteristiek van Coornherts proza. De Latijnse school heeft Coornhert niet bezocht. Pas als hij 35 is, gaat Coornhert Latijn leren, mogelijkerwijs van de zeer jonge (9 jaar?!) Johannes Basius. In dezelfde periode is er een positieve ontwikkeling in zijn manier van proza-schrijven. Hij zorgde er tevens voor het onnodig gebruik van leen- en bastaardwoorden te vermijden.

Ilja M. Veldman. “Coornhert en de prentkunst”.  
Voor Coornhert betekende het etsen en graveren vooral een broodwinning. Vanwege zijn huwelijk met de twaalf jaar oudere Cornelia Symons uit Haarlem, werd hij onterfd. De zus van Cornelia, Anna, was de bijzit van graaf Reinoud III van Brederode. Waarschijnlijk kreeg hij door deze contacten een betrekking als huismeester op Slot Batenstein in Vianen, de residentie van Reinoud. Niet lang daarna verhuist hij naar Haarlem.

Er ontstond een samenwerking in Haarlem tussen Coornhert en de schilder Maarten van Heemskerck, zeker vanaf 1547; Coornhert was een belangrijk inspirator t.a.v. Heemskercks prenten, prenten waarnaar Coornhert dan later weer etsen maakte. In 1554 is Coornhert definitief van de etstechniek op de gravure overgestapt. Tegen 1560 is Coornhert gestopt met graveren voor Heemskerck en loopt zijn Haarlemse grafeerperiode ten einde.  
In 1560 vroeg hij met twee anderen in Haarlem toestemming voor het oprichten van een boekdrukkerij. In 1561 werd hij bovendien notaris. In 1562 was hij
één van de drie stadssecretarissen van Haarlem.  

In 1564 secretaris van de burgemeesters.

Van 1567 tot 1576 was weer balling in Duitsland, met een onderbreking in 1572. Waarschijnlijk om brood op de plank te hebben, pakt hij in Duitsland het graveren weer op. De ontwerpen van de kunstenaar Adriaan de Weert, ook een balling die naar het Rijnland was gevlucht, werden door Coornhert gegraveerd.

Rond 1574 kwam Hendrick Goltzius vanuit Duisburg bij Coornhert in Xanten in de leer. Deze ontwikkelde zich tot een van de grootste graveurs die Nederland gehad heeft. Net als bij de eerder genoemde kunstenaars ontwierp hij voorstellingen onder invloed van Coornherts denkbeelden, die dan vervolgens door Coornhert weer werden gegraveerd. Toen Coornhert in 1576 naar Haarlem terugkeerde, volgde Goltzius hem.

A.H. Huussen jr.: “Coornherts Boeven-tucht.”  
Het in 1587 te Amsterdam gepubliceerde boekje over ‘Boeven-tucht’ is hoogstwaarschijnlijk van de hand van Coornhert. Het gaat over hoe om te gaan met leeglopers. Als directe oorzaak van het toenemend aantal lastige leeglopers ziet Coornhert de oorlogstoestand, die kostwinners tot de bedelstaf brengt, en diezelfde oorlogstoestand verhindert een effectief optreden van de overheid. Coornhert probeert de autoriteiten middelen aan te geven om het probleem te verkleinen. De dieper liggende oorzaak ligt in het falen van het preventieve en het repressieve toezicht van de overheid. De kans op de doodstraf is zo klein dat het geboefte de gok waagt.

Coornhert vindt van belang:

  • een regelmatige inventarisatie van de leeglopers
  • betere handhaving van de verordeningen
  • controle van provincie-wege hierop
  • verhoogde effectiviteit van het justitiële apparaat
  • een straf moet afschrikwekkend zijn  

-Preventief: werkverschaffen aan ingeborenen, en uitsluiting van vreemden  
-Straffen: dwangarbeid, zoals roeiers op galeien, en grondarbeid in de duinen en bij de droogmakerijen.- -Het stichten van gevangenissen, waar een simpel ambacht moet worden uitgeoefend, waar gearbeid wordt aan dijken, fortificaties of het uitbaggeren van wateren.  
-Dit alles wel met een financiële tegemoetkoming  
-Om vlucht te voorkomen: brandmerken en/of neussplijten(!)

Straf moest nut hebben voor de maatschappij; het doden (hoewel hij daar geen absolute tegenstander van was), verminken of verbannen had daarom geen nut.  
Zijn idee van tuchthuizen en werkhuizen is na zijn dood in de Republiek hier en daar realiteit geworden, maar het werd geen succes, omdat ze nog niet als echt alternatief kon fungeren tegenover lijfstraffen en verbanning buiten de grenzen.

E.O.G. Haitsma Mulier: “Coornhert in de geschiedschrijving.”  
Pas nadat Truitje Toussaint (1812-1886) haar populaire historische roman “De graaf van Leycester in Nederland”, waarin Coornhert optrad, had voltooid, begon het principe dat documentatie in archieven over een onderwerp een allereerste vereiste was alvorens over het verleden te gaan schrijven, het pleit te winnen. In 1612 verscheen de eerste band van de verzamelde geschriften van Coornhert, en pas in 1633 kwamen drie delen met zijn werk uit. In de periode er na werden steeds deze biografieën gebruikt om zijn leven te beschrijven.

Een doorbraak is de vondst van alle processtukken van 1567, in Brussel door historicus R. Bakhuizen van den Brink in 1851. Pas in de 20e eeuw deed Bruno Becker uit Petrograd (Leningrad) nader onderzoek, wat resulteerde in de bronnenpublicatie in 1928: “Bronnen tot de kennis van het leven en de werken van D.V. Coornhert.”

Belangrijk was het verschijnen van een biografie door H. Bonger in 1978, iets wat Becker in een vroeger stadium al had willen doen.

Philips Willem van Oranje

W.C. van Mees.

 

Van Mees wijst op de onvolkomenheden van het boek ‘Philips Willem’ van Johan Brouwer.

Op 8 juli 1551 huwde Willem van Oranje met Anna van Egmond: beiden waren toen 18 jaar.
Het jonge echtpaar woonde beurtelings op het slot te Buren en op het kasteel te Breda. Het was een gelukkig huwelijk. Ze hadden elkaar voor het eerst ontmoet in Den Bosch in 1547.

Vroege jeugd.
Op 19 december 1554 werd Philips Willem geboren in Buren, genoemd naar Philips II (zijn peetvader) en zijn eigen vader. De doop vond plaats te Breda in de kapel van het Prinsenhof op 26 maart 1555. Eerder was geboren, in december 1553, de dochter Maria.
Op 24 maart 1558 stierf Anna van Egmond.

Philips Willem erfde nu de familiegoederen te Buren en kreeg hij de titel ‘graaf van Buren’.

Na de dood van Anna van Egmond kreeg Willem van Oranje rond september 1559 een onechte zoon, Justinus, die later admiraal van Holland werd. Justinus is afgebeeld op “De overgave van Breda” van Velasquez.
Op 25 augustus 1561 huwde Willem van Oranje met Anna van Saksen te Leipzig. Hieruit werd Maurits geboren. Dit huwelijk was niet gelukkig te noemen. Anna kreeg in Keulen een relatie met Jan Rubens (de vader van de schilder Rubens). Anna kreeg een dochter uit deze relatie.
Op 12 juni 1575 huwde Willem van Oranje Charlotte de Bourbon; dit was een gelukkig huwelijk, en er kwamen vijf dochters.

Op 18 maart 1582 werd er in Antwerpen een aanslag gepleegd op Willem; een kogel ging door zijn gehemelte, kaak en wang. Charlotte verzorgde hem, doch na hevige koortsen overleed ze op 5 mei 1582.

Philips Willem werd door zijn vader Willem in 1562 reeds gepresenteerd ter dagvaart als eerste edele van Zeeland. In 1566 was hij als student in Leuven ingeschreven, waar hij oude talen studeerde. Ook beheerste hij het Frans op den duur zeer goed, evenals het Nederlands, Spaans, Italiaans en het Duits.

Op 20 augustus 1567 kwam Alva ’s morgens te Leuven aan, op weg naar Brussel. Philips Willem bracht hem een bezoek en kuste hem de hand; samen gebruikten ze de lunch.
De dag er op ging graaf van Hoorne bij Philips Willem dineren.
Op: 5 september werd de Bloedraad ingesteld, en 9 september werden Egmond en Hoorne gevangen genomen.
Al eerder was Willem van Oranje naar Dillenburg vertrokken. Een paar dagen voor zijn vertrek van 19 april 1567 zagen vader en zoon elkaar voor het laatst.
Het dochtertje Maria, hofdame bij Margaretha van Parma, had de prins, met toestemming van de landvoogdes, naar Dillenburg meegenomen.
Philips Willem liet hij in Leuven achter, mede door ontvangen adviezen. Bovendien had paus Martinus V al in 1425 bepaald, dat studenten slechts voor de rector van de universiteit berecht mochten worden; bovendien had Hertog Jan van Brabant dit in 1426 bevestigd, en Philips II in 1566!
Een andere reden om Philips Willem in Leuven te laten, was, dat er in de Nederlanden een vertegenwoordiger achterbleef die de aanzienlijke goederen die de prins achterliet, zou kunnen bewaren.

Het plan om Philips Willem naar Spanje te brengen was bedacht door Granvelle, met het idee dat Philips Willem in de ambten van zijn vader en in eigendom van de Nassause goederen in de Nederlanden en bovendien als goed katholiek en trouwe dienaar van de koning hersteld en bevestigd kon worden als de opstand eenmaal was onderdrukt.
Op 14 februari 1568 kwam Alva’s secretaris met vier edellieden van het hof van Alva met een geleide van twaalf hellebaardiers de jonge prins halen.
De academische Senaat zond meteen een gezantschap naar Brussel om bij Alva te protesteren, doch hen werd aldaar medegedeeld (Alva was afwezig), dat men zich niet zou storen aan de Leuvense voorrechten.
Alva stuurde alsnog een zeer vriendelijke en geruststellende brief naar de academische Senaat, waarin hij sprak over de eer die de graaf van Buren werd bewezen dat hij aan het hof van de koning zou worden opgevoed.
Philips Willem werd dan ook niet gearresteerd en was niet gevangen genomen: Philips Willem had gehoor gegeven aan de wens van zijn peter (Philips II).
Ook het stadsbestuur van Leuven probeerde de ontvoering te voorkomen.
Op 16 februari 1568 werd Philips Willem naar Antwerpen gebracht.

Naar Spanje.
Op 29 februari ging hij scheep naar Spanje, vergezeld van zijn gouverneur, zijn kamerdienaar, twee pages, en onder toezicht van de Spaanse edelman Lopez de Luxuaze en 24 Spaanse officieren.
In Spanje werd Philips Willem door de koning te Madrid vriendelijk ontvangen. Het lijkt niet dat hij somber was onder al deze gebeurtenissen.
Willem van Oranje diende protesten en klachten in bij Alva en keizer Maximiliaan, doch die hadden geen baat.
Kort na het sluiten van de Pacificatie van Gent in 1576 sprak de Staten-Generaal over de bevrijding van Philips Willem.
In de besprekingen van het Eeuwig Edict (1577) zou gesproken zijn over het gouverneurschap van
Philips Willem van Holland i.p.v. zijn vader in besprekingen met de vertegenwoordiger van Don Juan , waarbij Willem van Oranje de staatszaken boven het eventueel weer terugkomen van zijn zoon stelde.
In 1580 benoemde Willem van Oranje nog eens zijn verdriet en verontwaardiging over deze ontvoering in zijn Apologie.

Philips Willem werd naar de oude Spaanse universiteit Alcalà de Henaras gezonden, waar filosofie, theologie en de geschiedenis van de schone kunsten gevolgd kon worden.
Tien jaar is Philips Willem hier gebleven, in betrekkelijke vrijheid, waar hij naast zijn studie zich kon bezighouden met paardrijden, schermen, dansen, jagen en verschillende maîtressen. 
Uit deze relaties zijn geen kinderen voortgekomen.
Hij sprak Spaans, Italiaans, Frans, Duits, Latijn en Nederlands, en wist veel van geschiedenis, theologie en filosofie.
Hij bleef te Alcalà tot 1578, toen hij 24 was.
Hij mocht geen contacten hebben met zijn verwanten in het noorden; toch zijn er enkele brieven bewaard gebleven, waaruit blijkt dat die contacten er wel waren.
Uit die brieven blijkt dat hij zijn vader hoogachtte. Hoewel hij gelovig katholiek was, was hij niet devoot.

Na zijn vertrek uit Alcalà in 1578 werd hij gevangen gehouden, met beperkte vrijheid, in het vervallen kasteel Arévalo, mogelijk vanwege de ontdekking van zijn geheime correspondentie. Hij mocht binnen het kasteel op een paard rijden, maar buiten slechts op een muilezel, om een vluchtpoging niet al te gemakkelijk te maken. Het regime werd strenger in 1581, wellicht in verband met de ban van Willem van Oranje en de Apologie.  
Pas maanden na het overlijden van zijn vader op 10 juli 1584, hoorde hij hierover. Aan zijn situatie veranderde niets.  
In maart 1589 beklaagde hij zich bij de Spaanse kroonprins Philips en de koning over zijn onprettige levenssituatie.  
In juni 1592 kreeg hij van de koning toestemming om zijn zuster Maria te schrijven, wat waarschijnlijk een politieke achtergrond en bedoeling had. Berichten waren er, dat de Spaanse kroonprins zich inzette om zijn vader te overtuigen
Philips Willem vrij te laten om de Nederlanders gunstig te stemmen. Doch deze berichten werden in de Republiek niet vertrouwd, en niet beantwoord.
De eventuele terugkomst van Philips Willem zou in de Nederlanden tot tweedracht hebben kunnen leiden, want Maurits was de sterke man, terwijl Philips Willem de oudste rechten had als erfgenaam en opvolger in de waardigheden van zijn vader.

In de zomer van 1595 werd besloten Philips Willem met de aartshertog Albertus van Oostenrijk naar de Nederlanden terug te zenden.
Op 4 september 1595 kwam Philips Willem uit het kasteel Arévalo, en werd in het Escoriaal tot de koning toegelaten. Daarna ging hij naar Madrid.
Op 9 september 1595 verliet hij Madrid en voer met Albertus naar Genua. Van daaruit bereikte hij Rome op 21 oktober 1595. Op de 24e ontmoette hij paus Clemens VIII. Omdat Philips Willem geen ambassadeur van de Spaanse koning was, mocht hij blijven staan.
Op 3 november 1595 nam hij afscheid van de paus en keerde terug naar Genua.

Terug in de Nederlanden .
Op 11 februari 1596 deed Philips Willem zijn intrede in Brussel. Hij ging het hof bewonen waar vroeger zijn vader had gewoond. Zijn zus Maria had van Willem van Oranje het beheer gekregen van de goederen van Philips Willem.
Maurits beweerde dat die goederen in Brabant (Breda, Steenbergen etc.) hem behoorden, en dat Maria tevreden moest zijn met de goederen van haar moeders kant (Buren etc.).
Maurits kreeg gedaan via de Staten-Generaal, dat het beheer van die goederen in Brabant voorlopig aan hem werden opgedragen.
Maria dagvaardde hem daarop voor de Hoge Raad der Nederlanden. Maurits beweerde dat de Hoge Raad hierover geen zeggenschap had omdat de leengoederen ‘over de grens’ lagen. Maria richtte zich tot de Staten-Generaal, doch dat had geen resultaat.
Toen Maria op 7 februari 1595 huwde, waar Maurits het niet mee eens was, werd over alle door Willem van Oranje nagelaten goederen die binnen de Republiek lagen een curator aangesteld.
Nu Philips Willem terug was gekomen kon de twist weer aangewakkerd worden.
Toen hij de Nederlanden naderde ontving hij een brief van de Staten-Generaal waarin ze hem gelukwensten met zijn vrijlating, maar omdat de koning schijnbaar grote plannen met hem had, verzochten zij hem zijn komst naar de Noordelijke Nederlanden uit te stellen: nu zouden de grenzen voor hem gesloten zijn.
Philips Willem antwoordde met een brief d.d. 1 februari 1596 vanuit Luxemburg met een dankbetuiging, en dat hij niet van plan was moeilijkheden te veroorzaken.

Buren verkreeg hij al spoedig. Bourgondië zou nog jaren duren. Hij kon nu slechts werkeloos toekijken t.a.v. de Republiek.
Aan de zijde van Albertus trok hij op tegen de Fransen, richting Calais in de lente van 1596, waar hij moedig gedrag vertoonde.
Eind 1596 zou Philips Willem zijn zuster Maria ontmoeten: ze zagen elkaar in Kleef, zonder dat Maria Maurits er in had gekend.
Ook was hij met Albertus betrokken bij een poging tot ontzet van Amiens.
In 1598 maakte de Vrede van Verviens een einde aan het korte krijgsmansleven van Philips Willem.
Op 14 september 1598 trok hij met Albertus van Oostenrijk naar Spanje:
·     
Albertus begeleidde de bruid van Philips III naar Spanje: Margaretha van Oostenrijk  
·     
Albertus zelf ging in het huwelijk treden met Isabella.  
Het gezelschap (ca. 2000 man) ging via Duitsland, Venetië en Milaan. Ook werd Florence bezocht.
Philips Willem ging mee om bij Philips III te bewerkstelligen dat hij hersteld werd in zijn prinsdom Orange, mede omdat de Vrede van Verviens hiertoe mogelijkheden gaf.

In Orange vond in 1561 een beeldenstorm plaats en de bisschop aldaar nam de wijk.
Al in 1562 heroverden de katholieken Orange. Vanuit Brussel vaardigde Willem van Oranje toen een edict van pacificatie uit, die de godsdienstvrede moest bewerkstelligen.
In 1571 echter werd door de katholieken gedurende tien dagen gemoord en geplunderd, als een voorspel van de Bartholomeusnacht. Het kasteel aldaar bleef voor de Hugenoten echter wel een wijkplaats.
De Hugenoot Hector de Mirabel, heer van Blaçons, verklaarde zichzelf tot gouverneur en zijn geslacht erfelijk.
Het Edict van Nantes en de Vrede van Verviens in mei 1598 herstelde Philips Willem in zijn soevereiniteit over Orange.
Philips Willem bevestigde vervolgens De Blaçons in zijn bestuur van Orange, maar deze gedroeg er zich als heerser.
In augustus 1598 had Philips Willem in Parijs een ontmoeting met zijn stiefmoeder, Louise de Coligny. Zij heeft hem waarschijnlijk wat ‘francofieler’ gemaakt, wat uiteindelijk zou leiden tot een ‘Frans’ huwelijk.
In Marseille verliet Philips Willem het gezelschap en ging op weg naar Orange.
Op 11 maart 1599 vond zijn grootse intocht aldaar plaats.
Voordat hij Orange verliet vaardigde hij een pacificatie-edict van ‘algemene vergetelheid van het verleden’ uit. Maar al gauw na zijn vertrek hervatte De Blaçons zijn regime.
Via Marseille was Philips Willem met het hele gezelschap doorgereisd naar Spanje waar hij de huwelijksfeesten van Albertus en Isabella bijwoonde. Ook op de terugreis vergezelde hij Albertus.
In september 1599 werden allen weer begroet in Brussel.

De Slag bij Nieuwpoort in 1600: Maurits won, Albertus verloor, maar Duinkerken bleef in Spaanse handen. Philips Willem nam niet deel aan de strijd, maar lijkt zeer verheugd te zijn geweest over de uitslag.
Pas in 1609 werd door de bemiddeling van Hendrik IV een vergelijk tussen Maurits en Philips Willem getroffen.
In 1603 kwam Philips Willem in actie tegen de Blaçons: Hendrik IV bevestigde hem als soeverein van Orange. Maar toen hij in Orange kwam werd er voor zijn leven gevreesd. Maurits werd ingeschakeld, die zich tot Hendrik IV wendde. In 1604 werd De Blaçons, dankzij Hendrik IV, van zijn macht ontdaan.
In 1606 huwde Philips Willem met Charlotte de Bourbon, nicht van Hendrik IV, te Fontainebleau aan het hof van Hendrik IV. Philips Willem had echter niet Albertus en Isabella om toestemming voor het huwelijk gevraagd, en zij waren hierover zeer teleurgesteld. In 1607 ging het jonge paar naar Orange om pas eind 1608 weer naar Brussel te gaan. Later was Philips Willem nog een keer in Orange, september 1615, en bracht hij er de winter door. 

In november 1608 ontmoette Philips Willem Maurits, Frederik Hendrik, zijn zus Maria en graaf Willem van Nassau. Hij logeerde te Buren. In Den Haag werd hij ontvangen door de Staten-Generaal. Hoofddoel was de regeling en de verdeling van de onverdeelde nalatenschap van Willem van Oranje. Het eindverdrag kwam uiteindelijk op 27 juni 1609 tot stand.
Philips Willem kreeg Breda toegewezen, e.a. Hij bracht een verzoening tot stand tussen Maurits en diens zuster Emilia. Het conflict tussen broer en zus was ontstaan vanwege haar geheime huwelijk in 1597 met de zoon van de Portugese troonpretendent, Don Emanuel.
Met Uitenbogaart en Oldenbarneveld had Philips Willem goede contacten.
Hij verliet op 2 juli 1609 tijdelijk Den Haag, en nam nu al vriendelijk afscheid van de Staten-Generaal: de Staten-Generaal kon de aangeboden diensten van Philips Willem niet aanvaarden, maar schonken hem, op zijn verzoek(!), 25.000 gulden, als verering en erkenning van de diensten door zijn vader bewezen. Met Oldenbarnevelt correspondeerde hij om zijn diensten aan te bieden, maar:
·     
Philips Willem kon natuurlijk geen lagere functie aanvaarden dan Maurits;
·     
en Maurits kon in de Republiek niet gemist worden
·     
bovendien was hij sterk aan het katholieke geloof gehecht.
Hij ging nu naar Breda om daar op 12 juli 1609 plechtig ingehaald te worden.
Terug in Den Haag logeerde hij bij Louise de Coligny, de weduwe van zijn vader.

Het eindverdrag hield het volgende in: Philips Willem kreeg toegewezen:
·     
het prinsdom Orange
·     
de goederen in Dauphiné en Bourgondië.
·     
het burgergraafschap van Besançon, en de Baronieën,
·     
de heerlijkheden van Breda, Steenbergen, Grimbergen, Diest en Sichem
·     
het burgergraafschap van Antwerpen
·     
de heerlijkheden van Heerstal, Ruthen, Zeelhem, Wanneton
·     
alle goederen in Brabant en Vlaanderen
·     
het vruchtgebruik gedurende zijn leven van het graafschap Vianden en van de heerlijkheden St. Vit, Butgenbach, Daarborgh en alle goederen liggend in Luxemburg, waarvan de eigendommen aan Maurits waren toegewezen.
In 1616 kwam hij vanuit Orange weer naar Breda. Zijn gezondheid had te lijden onder aanvallen van jicht.
De winter 1616/1617 bracht hij in Brussel door.

Zijn einde.
Na afloop van een van de prachtige feesten werd hij niet goed. De klisteerspuit werd ruw gebruikt en daarbij werd zijn darmwand verwond. Zijn toestand verslechterde snel en hij overleed de volgende dag: 20 februari 1618, op 63-jarige leeftijd, kinderloos.
Op zijn sterfbed bevestigde hij nog eens dat Maurits zijn universeel erfgenaam was.
Hij had eerder vier steden aangegeven als zijn laatste rustplaats. Vanaf Brussel was Diest de dichtstbijzijnde. Met Diest was er een sterke band; sinds 1499 was het in het bezit van het huis van Nassau. Op 1 april 1618 werd hij aldaar deftig maar zonder veel statie begraven.
Zijn broers konden, gezien de situatie, de begrafenis in Diest niet bijwonen (?)
De vrouw van Philips Willem overleed 20 januari 1619. 

In 1829 bracht koning Willem I een bezoek aan de grafkelder.

(Uit de achtergebleven gegevens blijkt dat Philips Willem een kalme, zachtaardige persoonlijkheid had, met een passieve houding. Toch kon hij bij tijd en wijle opvliegend en driftig zijn; zo zou hij in Alcalà een kapitein van de garde, die zich ongunstig uitliet over zijn vader, uit het raam hebben gegooid, waarbij de man het leven liet; met een gunstige ooggetuigenverklaring kwam hij er vanaf. In de Zuidelijke Nederlanden werd hij later boos over een voorstel, dat hij mee zou moeten betalen aan een rente voor de erfgenamen van Balthazar Gerards: deze afspraak was verbonden aan zijn bezittingen in Bourgondië; de boodschapper van het voorstel kon slechts door derden gered worden.)

De geschiedenis van het Postvervoer.

E.A.B.J. ten Brink.

 

Dit boek behandelt het vervoer van het ene postkantoor naar het andere; de bestelling is buiten  beschouwing gelaten.

Aangenomen wordt dat het begrip ‘post’ in de nadagen van het Romeinse Rijk gekomen is uit de verbinding mansio of mutatio positia in…. (= wisselplaats gelegen te…).  “Post” had toen een ruimer begrip: personen, goederen en brieven, vervoerd met behulp van paarden en over de grote wegen.
In ons land waren daarom aanvankelijk nieuwe woorden in gebruik om aan te duiden welk type post het was:

·     
postwagendiensten of wagenposterij voor het vervoer van personen en goederen
·     
brievenposterij voor het vervoer van brieven
·     
paardenposterij voor de organisatie die de paardenwissel verzorgt.

De postwagendiensten ontwikkelden zich in de Republiek sinds de tweede helft van de 17e eeuw als particuliere ondernemingen met octrooi van de stedelijke, later van de centrale overheid. Bij hun octrooi was het mogelijk dat het vervoer van brieven toegestaan was.
De opkomst van de trein en de tram maakte dat de diligence in onbruik geraakte.
Een paardenposterij als overheidsorganisatie, die langs de voornaamste wegen, speciaal in aansluiting op het buitenland, stations (relais) onderhield, heeft in de Republiek nooit bestaan.
Voor de paardenwissel was men aangewezen op de particuliere stalhouderijen. Pas in de 18e eeuw kwam een paardenposterij tot stand, die ondergeschikt was aan het bestuur van de brievenposterij. Doch de paardenposterij is nooit populair geweest en werd in 1854 opgeheven.
Van brievenposterij kan men spreken nadat het oorspronkelijke vervoer te voet vervangen was door het georganiseerde vervoer te paard.

De brievenposterij is geheel geënt op de oude bodendiensten:
·     
uitgevoerd door particulieren
·     
deze werden benoemd, beëdigd en van een instructie voorzien door de stedelijke overheid.

Rond het midden van de 17e eeuw worden de bodenlopen vervangen door vaste verbindingen te paard, en aan het hoofd van de brievenposterij stond de postmeester.
Vanwege de goede verdiensten van de postmeesters trokken in de 1e helft van de 18e eeuw enkele steden de posterijen geheel aan zich, en benoemden zij een bezoldigd postmeester.

In 1747 droegen in Holland en Westfriesland de stemhebbende steden (Amsterdam 1748) hun rechten op de stedelijke posterijen aan de stadhouder over, die ze op zijn beurt afstand aan de Staten van het gewest, om deze een bron van inkomsten te verschaffen; zo ontstond de Statenpost (De Staatsposterij was een eigen postdienst van de Staten-Generaal en enkele andere hoge colleges).
Aan het einde van de Republiek bestonden naast elkaar particuliere en stedelijke posterijen alsmede een gewestelijke posterij.
In 1799 werden alle posterijen nationaal verklaard.
In 1831 werd de postadministratie tot een afdeling van het Ministerie van Financiën, wat nadelige gevolgen had voor de dienstverlening.
Verbetering hierin bracht de postwet van 1850.
In 1893 werd het hoofdbestuur uit de departementale verband losgemaakt, en vanaf 1915 werd de overheidsdienst tot een staatsbedrijf.
Aan het einde van de 19e eeuw waren de paardenposterij en de postwagendiensten verdwenen en alleen de brievenposterij overgebleven.

De ontwikkeling tot aan het midden van de 17e eeuw.
Het oude aanvankelijke brievenvervoer te voet werd uitgevoerd door boden, voetboden of lopers, en de opdrachten kwamen uiteraard alleen uit de bovenlaag van de bevolking: kanselarijen, stedelijke besturen, kloosters, ridderorden, universiteiten en geleerden.
Men gebruikte eigen boden: stadsboden, kloosterboden, maar ook particuliere boden.
Aanvankelijk was er geen sprake van geregelde diensten.
De overbrengers van gerechtelijke stukken werden ‘roedragende boden’ genoemd (voorloper van de huidige deurwaarders).
De boden met brieven van administratieve en bestuurlijke aard werden ‘ordinaris boden’ of ‘busdragende boden’ genoemd: in bussen werden de perkamenten stukken aanvankelijk in opgerolde toestand vervoerd. In latere tijd zijn er de koopmansboden.

Omdat er vaste bodendiensten in ons land ontstaan met vaste tijden en naar vaste plaatsen, worden instructies vastgesteld, zoals die voor koopmansboden van Amsterdam naar Antwerpen in 1568.
Als extra zekerheid dat de boden de brieven te bestemder plaats zouden brengen, werd de post door de geadresseerde betaald.
Aanvankelijk brachten de stedelijke rechten met zich mee dat een stad slechts in één richting kon zenden: de zending terug behoorde tot de rechten van de andere stad, waardoor boden zonder brieven moesten terugkeren. In de praktijk gingen boden op wisselplaatsen de brieven aan elkaar overdragen. In de regel ging de bode te voet.
In de 2e helft van de 16e eeuw ontwikkelde zich de beurtveren, die ook brieven konden vervoeren, maar daar bleef het vervoer van personen en goederen op de voorgrond.
Toen de correspondentie zich ging uitbreiden bleven de boden thuis op hun “comptoir” en lieten het vervoer door derden verrichten.
De taak van de vroegere stadsboden beperkte zich meer en meer tot de werkzaamheden van de tegenwoordige stadhuisbode, terwijl die van de koopmansboden is uitgegroeid tot het huidige openbare postwezen.

Van het midden van de 17e tot het midden van de 19e eeuw.
Rond het midden van de 17e eeuw kwamen de postritten of rijdende posten tot ontwikkeling: vaste verbindingen te paard. Van Rotterdam naar Antwerpen (duur: ’s zomers 10 uur, ’s winters 12), Amsterdam-Hamburg, Engelse post, Den Haag-Amsterdam, Den Haag-Rotterdam.
Rond 1700 waren op de belangrijkste routes de bodenlopen vervangen door postritten. De vroegere boden heetten nu postmeesters, die zich nog alleen bezig hielden met het brievenvervoer. Het vervoer van goederen werd geheel overgelaten aan de beurt- en wagenveren.
Omdat de onkosten van de postritten aanmerkelijk hoger lagen, sloten verschillende steden zich aaneen, of wist een financieel sterke stad het monopolie voor bepaalde verbindingen aan zich te trekken; Amsterdam wist zijn positie ten opzichte van Hamburgse correspondentie tot de Franse tijd te behouden.
De postmeesters besteedden het werk aan aan particuliere stalhouders, aannemers of posthouders genoemd, voor periodes van drie maanden, om bij ontevredenheid onmiddellijk op een andere voerman over te kunnen gaan.
De brieven werden in leren valiezen of briefmalen gesloten, waarvan alleen het begin- en het eindkantoor een sleutel had. Als de correspondentie erg zwaar was, werd een bijpaard genomen.
De posthoorn van de postiljons werd geblazen bij vertrek en aankomst, bij het naderen van stadspoorten en bij het doortrekken van plaatsen.
Omdat schippers het aflegden in snelheid t.o.v. de postiljons gingen sommige schippers ‘rijdende schippersposten’ organiseren.
De postwagens namen behalve personen en goederen, en als hun octrooi dit toestond, ook brieven mee.
De overgang naar de Statenpost bracht geen wezenlijke verandering in het systeem van postvervoer, wel een betere coördinatie.
I.v.m. de groeiende hoeveelheden werd op den duur op het Texelse rit (rit is een onzijdig woord!) het gebruik van postkarren toegestaan.

Indruk van reisdagen v.v. vanuit Amsterdam:
·     
Aken, Hamburg, Luik: zes etmalen
·     
Parijs: vier etmalen
·     
Genua, Gibraltar, Madrid: 36
·     
Moskou, Malaga: 48
·     
Archangel, Lissabon: 60

De kleinere posterijen en de bode-ambten op het platteland, die in 1748 bij de overdracht aan de Staten waren betrokken, richtten entrepostes op, waar voorbijrijdende postiljons brieven afgaven en aannamen.
Kleine omliggende plaatsen en dorpen benoemden hun eigen boden.
De overzeese correspondentie werd meegegeven of aangebracht door schepen, die naar of van een bepaalde haven voeren.
De brieven voor Amerika liepen merendeels via Engeland.
Voor Oost-Indië aanvankelijk via Lissabon, voor West-Indië over Sevilla.
Sinds de VOC werden de brieven met de eigen koopvaardijschepen meegeven. In de eerste periode ging men gemiddeld tien keer per jaar naar Indië, later 25 tot 30 keer, en het geheel lag in handen van de Compagnie.
In Indië werden alle brieven bij de opperkoopman gedeponeerd en ook gelezen, want men mocht niet over compagniezaken schrijven. Ook in Nederland bestond voor de post naar Indië zo’n regeling.

Tegen het einde van de Republiek had zich het volgende officiële postnet ontwikkeld:

·      Dagelijkse ritten:

o     Vanuit Alphen als generaal verwisselkantoor naar:
§    
Leiden en Den Haag/Delft/Haarlem
§    
Amsterdam
§    
Utrecht
§    
Gouda en dan Dordrecht/Gorinchem, naar Brabant
§    
Rotterdam en dan Maassluis/Brielle/Hellevoetsluis

o     Iedere avond vanuit Amsterdam en vanuit Den Haag, beide naar de verwisselplaats Lisse

o     Iedere avond van Amsterdam naar Den Helder/Texel/Vlieland

·      Ritten, enkele malen per week:

o     de Brabantse correspondentie: binnen Brabant

o     de Gelderse correspondentie:
§    
van de grote steden naar Utrecht
§    
van Utrecht naar Nijmegen
§    
van Wageningen naar Zutphen

o     de Zeeuwse correspondentie:
§    
van de grote steden naar Strijensas
§    
van Strijensas naar Moerdijk, verder Brabant en Zeeland in
§    
van Gorishoek naar Yersekendam overgevaren en vandaar naar Middelburg/Vlissingen/Zierikzee

o     correspondentie met Overijssel/Friesland/Groningen:
§    
van Alphen naar Utrecht
§    
van Utrecht naar Putten en Zwolle
§    
van Zwolle naar Leeuwarden/Groningen

o     buitenlandse ritten:
§    
Franse of Brabantse correspondentie
§    
Duitse correspondentie
§    
Emmerikse en Pruisische correspondentie
§    
Hamburgse en Oost-Friese correspondentie
§    
Engelse correspondentie

Vanaf 1803 was er een nationaal postbestuur. Het plan was om over het gehele land dagelijkse postverbindingen (journalières) in te voeren, doch dit bleek niet haalbaar. Een ander probleem was het ongeoorloofd vervoer van brieven buiten de posterijen om.
In 1810 startte de paardenposterij, die met het brievenvervoer geen bemoeienis kreeg.

De invoer van journalières ging dus niet door, wel vonden allerlei beperktere verbeteringen, aanpassingen en uitbreidingen plaats.
Aan sommige postiljons werd een conducteur toegevoegd, die de gehele reis meemaakte en zo beter de malen in de gaten kon houden. Er werden zes postkarren gebouwd.
Voetboden werden nog steeds door plaatselijke besturen aangesteld.
Vanaf de invoering van de postwet in 1807 gold voor het gehele land eenzelfde tarief, evenals voorheen berekend naar afstand en gewicht. Voor het vervoer van kranten werd een speciaal tarief vastgesteld. Geldverzending kon nu ook, tot maximaal fl. 50,-.
Het monopolie lag bij Posterijen, maar daar werd ruim mee omgesprongen: zo mochten schippers post aannemen om ze te bestellen in plaatsen waar geen postkantoor gevestigd was en aldaar alle brieven aannemen voor plaatsen die wel een postkantoor hadden, om die post daar af te leveren.
De Franse postwetgeving werd pas in 1850 door een Nederlandse wet vervangen.
Vanaf 1817 was er de invoering van journalières over het gehele land.
Maar nog steeds bleven ritten aanbesteed aan particulieren en werden geleidelijk alle ritten met karren gereden. Ook bleef het vervoer te voet aanbesteed.
Van 1824 tot 1846 was het beheer van de openbare middelen van vervoer bij Financiën en daar opgedragen aan het hoofd van de Posterijen. Vóór 1824 was het beheer bij Binnenlandse Zaken. Toch bleven clandestiene verzendingen bestaan, want dat was sneller en goedkoper.

Het vervoer en daarbij natuurlijk de post naar Oost-Indië werd geweldig versneld: duurde een reis om Zuid-Afrika aanvankelijk zes maanden of langer, in de loop van de 19e eeuw kwam er in Egypte de overland-mail: met de trein en een deel met kamelen, werd de afstand Alexandrië - Suez afgelegd. De reistijd naar Batavia ging terug naar 60 dagen.
Sneller was het van Amsterdam met de trein naar Marseille te reizen, dan per schip naar Alexandrië, vervolgens door Egypte geheel per trein, tenslotte per schip door naar Batavia: 42 dagen.
Toen het Suezkanaal klaar was, ging ’t eerste deel weer met de trein naar Marseille, en dan de rest per schip: 30 dagen.
Dezelfde trip met snellere treinen en schepen duurde in 1930 nog maar 21 dagen. Vanaf Schiphol duurde een vlucht in 1932 zo’n 10 à 11 dagen, in 1950 3 tot 4 dagen.
Heden is men nog slechts 14 uur onderweg.

Van het midden van de 19e eeuw tot aan de eerste wereldoorlog.
Rond het midden van de 19e eeuw kwamen er belangrijke ontwikkelingen, die ook voor de post ingrijpend zouden zijn: stoom op het land- en waterverkeer.
Later kwamen daar nog bij de elektrische tram en de auto.
Vanaf de postwet van 1850 hadden de Posterijen het postmonopolie voor brieven tot 500 gram.
Bovendien zouden alle gemeenten een gelegenheid krijgen tot het ontvangen en versturen van brieven met de post. De portoberekening naar gewicht bleef gehandhaafd; die van de afstand binnen Nederland werd vereenvoudigd tot drie tarieven, in 1855 ging het naar een tweedelige schaal en in 1870/1871 verviel de afstandsberekening totaal. Het binnenlandse briefverkeer steeg enorm: van ruim 4 miljoen in 1848 naar ruim 40 miljoen in 1880.
In 1844 waren er de eerste contacten tussen de Posterijen en een treinmaatschappij, wat zich uitbreidde naarmate het spoorwegennet zich uitbreidde.
In 1855 kwam tussen Moerdijk en Antwerpen het eerste rijdende expeditiekantoor, later spoorwegpostkantoor geheten, in werking: nu kon onderweg de post al gesorteerd worden en op het goede haltestation afgegeven worden.
Daarnaast werd de paardentram belangrijk voor de Posterijen; vanaf 1880 was er ook de stoomtram. Trein en tram drongen het gebruik van diligences voor het postvervoer terug.
In plaats van diligences op plekken waar geen treinen en trams kwamen, zien we ook de omnibussen verschijnen.
Bij de pakketpost blijven de postritten langer belangrijk, en worden de postkarren groter. Maar dan komt er de auto, die zeker in de jaren 1910 de taak overneemt, helemaal na de Eerste Wereldoorlog.

Met de Postwet van 1850 werden postboden aangesteld door de minister: de aanbesteding verviel.
De postbode ging nog vaak te voet, maar daarnaast werd ook de fiets belangrijk vanwege de hoeveelheid post, maar ook handwagens, hittekarren (met kleine paarden) en de hondenkar.

Het tijdvak tussen de beide wereldoorlogen.
Tussen de beide wereldoorlogen werd het vliegtuig belangrijk als vervoerder van post. Er was er het opkomend gebruik van de auto en het verdwijnen van het paard bij het postvervoer. (Voor pakketvervoer gebruikte Van Gend & Loos nog ver na de Tweede Wereldoorlog het paard: de Belgische knol!)
In 1915 worden de Posterijen van een overheidsdienst een staatsbedrijf.
Met ingang van 1920 werden alle postboden bestellers, want nu waren ze alleen nog maar bezorgers en verzamelden niet meer de post, maar de naam ‘postbode’  bleef toch in gebruik.

Hollands Stapelmarkt en haar verval.

T.P.van der Kooy.

 

Holland als centrale stapelmarkt in de zeventiende en achttiende eeuw.

Factoren van het succes van Amsterdam:
·     
gunstige ligging tussen een aantal beschaafde landen
·     
ligging tussen Noord- en Zuid-Europa
·     
haringvisserij met exportproductie
·     
naar het zuiden doorgetrokken naar Indië
·     
naar het westen: werelddeel Amerika
·     
naar het oosten het achterland via de Rijn
·     
suprematie van de Hanze gebroken in de 15e eeuw
·     
Antwerpen afgesneden van de zee
·     
organisatie van de handel

Vroeger hadden handel en verkeer een centrale stapelmarkt nodig om de prijzen en vrachten vast te stellen.
Eeuwenlang was de handel kleinschaliger geweest: persoonlijk contact en bezichtiging van de koopwaar was regel.
Handel en verkeer trokken samen op regionale stapelmarkten. Na onderlinge compensatie van kopers en verkopers ging wat resteerde naar hogere markten in rang: Leipzig, Frankfurt.
Was de regionale markt periodiek van aard, op de centrale stapelplaats deed men iedere dag zaken op de beurs.

Naast de handelseconomische factor van de stapelmarkt was de verkeerseconomische factor van groot belang: ligging aan of bij een vaarwater of aan zee.

Ook de wisselhandel had evenals de vaststelling van de goederenprijzen en vrachtkoersen een vast punt nodig, om het betalingsverkeer te kunnen laten floreren. De accumulatie van kapitalen trok steeds nieuwe relaties aan.
Naast de contante betaling ontwikkelde zich een uitgebreid kredietverkeer, en giroverkeer vergemakkelijkte de betaling.Het verzekeringswezen, het opslagbedrijf en ’t havenbedrijf ontwikkelden zich in hoge mate.
De kennis om met de waren om te gaan in vervoer, bewaring, maar ook veredeling werden geperfectioneerd.
Dit alles viel in Amsterdam tezamen.
Moedernegotie was de aanvoer uit de Oostzee, vooral het graan dat naar ’t Middellandse Zeegebied ging; wijn en zuidvruchten werden weer in noordelijke richting vervoerd. Directe vaart zonder stapeling zou maanden langer kunnen duren: vanuit Amsterdam was de reis naar noord en naar zuid de helft korter.
Amsterdam kon ook sneller reageren op het bevriezen cq. ontdooien van de noordelijke havens. Vanuit het noorden konden metalen, maar ook hout als waardevolle onderlast dienen naast de lading als graan, stokvis, zeildoek, jenever, boter, kaas, linnen, etc.
Er was hier de inheemse nijverheid, die al exporteerde voordat de centrale stapelmarkt er was.
De andere soort nijverheid was de veredelingsindustrie, gebaseerd op de goederen die van buitenaf kwamen: ‘trafieken’ genoemd.

Voorbeelden zijn:
·     
graanhandel: mouterij, bierbrouwerij, korenwijnbranderij
·     
zadenhandel: olieslagerij
·     
tabakshandel: tabakskerverij, tabaksspinnerij en karottenfabricage
·     
huidenhandel: zouterij en looierij
·     
suikerhandel: raffinaderij
·     
zoutvaart en visserij: zoutziederij

Veel nijverheid dankte haar bestaan aan de scheepvaart: scheepsbouw, touwslagerij, zeilmakerij.
In dit alles was Amsterdam dominant. Andere Hollandse havens vulden Amsterdam aan, waarvan Rotterdam de belangrijkste was, met vooral verbindingen met Engeland (steenkool, tabak, lood) en Frankrijk (wijn en zout). Rotterdam had ook meer contacten met Zeeland (graan, vlas, zaden, meekrap) en het Rijnland en met Brabant/Vlaanderen.
Omdat aanhoudende oostenwind voor Amsterdam aan het IJ lastig was voor de zeilvaart, gingen binnenschuiten van Amsterdam naar Rotterdam, waar juist de oostenwind gunstig was. Bij aanhoudende westenwind geschiedde het juist andersom.
Kortom: de binnenvaart profiteerde van de situatie.

De marktpositie en de handelsorganisatie.
De marktvrijheid bevorderde de ontplooiing van het handelskapitalisme.
De eersten in de internationale tussenhandel waren de “zeehandelaren”; zij waren gespecialiseerd op bepaalde gebieden en brachten hun overschotten op de centrale stapelmarkt. Via dochterfirma’s en vaste correspondenten hadden zij stevige betrekkingen met overzeese verschepers.
Naarmate de commercialisering vorderde zonden vele overzeese exporteurs hun goederen ter verkoop aan vaste commissionairs in vooral Amsterdam.Deze commissionairs hadden wel de vrijheid om als de verkoper snel zijn handel kwijt moest het voor een ruim lagere prijs aan te nemen, om het later zelf met winst te verkopen.
In de 18e eeuw schijn het regel te zijn geworden dat de aanbieder/verkoper van de handel toch meeprofiteerde van de doorverkoop.

De roem van Amsterdam was ook dat de grootste ladingen ogenblikkelijk afzet vonden, geholpen door de “tweede handel”: kapitaalkrachtige kooplieden die de capaciteit van de markt in dat artikel zeer goed kenden. De “tweede hand” was de buffer tussen de ongelijkmatige aanvoer en de meer geleidelijke afzet; zij bewaarden de aangevoerde goederen tot de verkoop: de spil van de stapelmarkt.

Een derde groep specialisten zorgde voor de distributie van de goederen over het afzetgebied. Bij hen concentreerden zich de orders van de afnemers in binnen- en buitenland. Zij genoten van de faciliteiten van de “tweede hand” in verband met de niet altijd regelmatige afname. Meestal werd in commissie ingekocht door inkoopcommissionairs.

Werd de detailhandel, in gilden georganiseerd, beschermd door stedelijke keuren, op jaar- en weekmarkten vond het gildenmonopolie in de detailhandel een tijdelijke onderbreking.
De veredelingsbedrijven waren meestal zelfstandige schakels in de handelsketen, waarbij dus de trafikant eigenaar van de goederen was, doch kon ook als nevenbedrijf bij de koophandel worden uitgeoefend. Trafikanten beperkten zich logischerwijs tot een enkel artikel.
Ook de “tweede hand” was in hoofdzaak naar branche gespecialiseerd.
Op de Amsterdamse beurs zien we vaste standplaatsen naar landstreek, zowel als naar koopwaar of groep van koopwaren.
De concentratie van kopers en verkopers diende om wederzijdse concurrentie uit te lokken en de distributie der goederen zo economisch mogelijk te doen zijn.
De juiste prijsvorming werd bevorderd door een schare speculanten, die de telkens meest gewenste richting gaven. Het prijsverloop werd zo genivelleerd en de snelle absorptie door de markt bevorderd.

Makelaars verleenden hun bemiddeling: zij waren gespecialiseerd naar warenbranche, beter dan de kooplieden en de commissionairs. Zij kenden ook de voorraad het best en de dagelijkse aftrek van hun artikel. Zij waren de neutrale, beëdigde vertrouwenspersonen. Zij bleef een publieke bediening, ook toen de handel geheel aan de vrije concurrentie werd overgelaten.

Naast de makelaardij waren er de kassierderij en het bankiersbedrijf. De kassiers bepaalden zich tot handel in edelmetaal, tot incasso en giro. De bankzaken bestonden uit wisselhandel op de gehele wereld.

Naast allen die zich met de handel zelf bezighielden, zien we een hele groep wier diensten verbonden zijn aan de handelsactiviteiten: schippers (makelaars in bevrachting), cargadoors (van de lichterschepen i.v.m. Pampus), schuitevoerders, verhuurders van zolders en kelders, waagwerkers en andere havenarbeiders.
Zij behoorden tot het transport- en opslagbedrijf, dat welvaart verspreidde onder brede lagen van de bevolking.
Stedelijke instellingen waren de waag en de kraan, elk met een rij van medewerkers. Dit havenbedrijf was bepaald geen vrij bedrijf: alles was gereglementeerd, inclusief de binnenschipperij.

De verzwakking van Hollands marktpositie in de achttiende eeuw.
Na 1650 verloor Holland terrein, hoewel er geen kwantitatieve achteruitgang van Hollands handelsbeweging in de 18e eeuw valt te constateren. Londen nam langzamerhand de fakkel over: ze zou de laatste centrale stapelmarkt zijn.
Het Hollandse deel in de invoer in Engeland daalde van 14,6% in 1696/1697 naar 3,6% in 1772/1773.
Het aandeel uitvoer uit Engeland in dezelfde jaren ging van 41,5% naar 12,7%.
Naast Londen was Hamburg een groeiende concurrent.

Omdat de geografische ligging dezelfde was gebleven, zocht men de hoofdoorzaak in een gestadige verzwakking van de ondernemingsgeest en van de volksenergie, doch de schrijver meent dat vermindering van energie meestal uit het verval zelf is te verklaren. (Hij verklaart niet de verzwakking van de ondernemingsgeest.)

In het ontbindingsproces van de Hollandse stapelmarkt zijn de economische krachten primair geweest: de ontwikkeling van de directe relaties omzeilde de dure stapelmarkt vanwege sterk gegroeide  goedkope massagoederen en het verkeer dat sneller, regelmatiger, goedkoper en veiliger werd.
We zien nog niet een volkomen decentralisatie van de markt; een beperkt aantal stapelmarkten blijft nodig die samen de functie van centrale wereldmarkt ging vervullen.

Wat voor Amsterdam ook tegenwerkte was dat de West-Europese staten de autonomie der steden braken en we een groei zien van het nationaal mercantilisme: de verzorging van de eigen volkshuishouding zoveel mogelijk door de eigen onderdanen te laten uitvoeren; geen vreemd volk werd geduld in de in- en uitvoer en in de vrachtvaart, geen buitenlandse industrie werd afzetgebied binnen de grenzen gegund als men er zelf voor kon zorgen. De staat trachtte dit te bereiken door protectie, door het verlenen van monopolies en premies, en door reglementering. Vooral de vorming en bevordering van een eigen exportindustrie paste in dit streven, evenals het verwerven van koloniën.
De kapitalistische organisatie drong door in de nijverheid; die nijverheid werd door de staat beschermd (mercantilisme) en tot export opgevoed. In Engeland begon in de 18e eeuw de mechanisering van de nijverheid die de fabrieksperiode en het modern industrieel kapitalisme inluidde.
Naarmate het kapitalisme zo in grote gedeelten van de productie binnendrong, ontgroeide deze aan de mercantilistische voogdij zelf.

De Hollandse exportproductie was in zekere mate te vergelijken met de trafieken: een massaal industrieel exportartikel was een zeer zwak punt gebleven in de Hollandse markt. Wat wel belangrijk was, was het grote continentale achterland: het stroomgebied van de Rijn werd grotendeels vanuit de Hollandse havens van overzeese waren voorzien. 
Het belangrijkste element dat de suprematie der Hollandse markt nog in wezen hield, was het financiële. Wat ook niet gunstig voor Holland was, waren de verzandende zee- en rivierarmen, die de toegang belemmerden tot de havens van Rotterdam en Amsterdam.

De 4e Engelse Oorlog (1780-1784) was de knak: Engeland nam onze koloniën in bezit, decimeerde onze vloot en blokkeerde onze kust; de Patriottische beroeringen in 1787 brachten opnieuw schade, zoals ook de revolutionaire periode daarna.
De commissiehandel onderging de invloed van het buitenland,zodat de positie van de commissionair meer ondergeschikt werd: dit schaadde op den duur de gehele handel. Buitenlandse kooplieden passeerden de Hollandse markt. Zij hadden wel de kapitalen van de Hollanders nodig, maar niet de Hollandse bemiddeling.
Amsterdam financierde in de tweede helft van de 18e eeuw een belangrijk deel van de wereldhandel: de koopman was bankier geworden, de wisselhandel groeide, doch de goederenstroom verlegde zich naar elders.
Maar eind van de 18e eeuw zien we dat vooral in Londen en Hamburg de geld- en wisselhandel groeide ten nadele van Amsterdam.

De marktpositie en de handelspositie.
Kenmerkend voor de economische ontwikkeling van Nederland in de 18e eeuw was het wegglijden van het monopolie in de internationale tussenhandel. Daarnaast moest de Republiek oppassen dat haar fiscale rechten op de internationale handel bij in- en uitvoer door deze handel gedragen kon worden.
In 1725 waren deze rechten t.o.v. Hamburg duidelijk hoger, maar stak gunstig af bij de hoge mercantilistische tarieven van andere Europese landen.
Nederland was arm aan eigen grondstoffen, en de aanvoer uit andere landen (Engeland wol, Frankrijk zijde) werd belemmerd door de mercantilistische uitvoerrechten van deze landen. Ook de uitvoer werd beperkt door het buitenlands protectionisme. Bovendien was er een ruime aanvoer van concurrerende fabrikaten.
Bijkomend nadeel was het hoge loonpeil in de Hollandse steden; verplaatsing van de industrie naar het platteland met hun lagere lonen werd door Holland vaak verhinderd. Van systematische industriebescherming van overheidswege was geen sprake.
Op de belasting werd door de gedecentraliseerde overheid zwak gecontroleerd, zodat de commissionairs en expediteurs een lage provisie konden aanbieden aan de buitenlandse committenten, wat uiteraard gunstig werkte op ‘alles’.
Men wilde het transitoverkeer naar ’t Rijnland niet begunstigen om zo de eigen stapelmarkt zoveel mogelijk in stand te houden. Puur expeditiewerk gaf wel veel werk in vooral Rotterdam, maar aan de eigenlijke handel was meer te  verdienen. Wel moest steeds scherp gekeken worden naar de concurrenten (Hamburg en Oostende) of de transitokosten niet te hoog waren. In 1751 was er de ‘Propositie’: vanwege een inzinking in de overzeese tussenhandel had men het plan van een portofranco: geheel vrije handel. Doch door de opleving in de handel en de felle strijd tussen voor- en tegenstanders ging het plan niet door.

Het verval van Hollands marktpositie in het begin der negentiende eeuw.
De Republiek koos in 1795 partij voor Frankrijk.
De oorlogstoestand was onze handel fataal: we verloren onze koloniën en onze rijk bevrachte koopvaarders vielen in Engelse handen. De overblijvende schepen moesten onder neutrale vlag gebracht worden om het kapitaal roulerend te houden, en moest de goederenstroom gedeeltelijk over onzijdige havens worden geleid.
Direct nà Napoleon kwam de handel weer op gang, doch de hoge verwachtingen van herstel kwamen niet uit: overal was de koopkracht door de oorlogen sterk afgenomen, het aanbod vanuit Engeland had zich al op alle Europese havens gericht, vele oude afnemers van de Hollandse markt hadden geleerd zich zelf te voorzien door directe betrekkingen met de landen van productie, en verkochten zij hun uitvoerproducten rechtstreeks.
Londen was in het onbestreden bezit van de centrale-marktfunctie gekomen. De Engelse textiel- en metaalindustrieën bezaten door moderne techniek en door kapitalistische organisatie een bijna onbeperkte capaciteit.
De tijd van monopolie was voor Nederland voorbij.

Koning Willem I heeft veel gedaan, zoals o.a. de oprichting van de Nederlandsche Handelmaatschappij in 1824. Goed was dat voor de welvaart, maar Nederland kreeg er niet de centrale-marktfunctie mee terug. Dankzij het ‘Cultuurstelsel’ werd de stapel van Oost-Indische producten in het moederland teruggebracht.

Wat tegenwerkte was de slechter wordende toestand van de zeewegen naar Amsterdam en Rotterdam. Verbeteringen waren resp. het Noord-Hollandskanaal (1825) en het Voornskanaal (1830). Willem I bevorderde ook de bouw van schepen, maar de opbloei van handel en scheepvaart was louter het gevolg van nationaal-mercantilistische maatregelen.
Tegen het midden van de 19e eeuw beperkte de wereldhandel van Holland zich in hoofdzaak tot koffie en suiker uit de eigen koloniën. Voor het overige was het pleit beslecht.
Rond 1850 was de conjunctuur voor Amsterdam hopeloos slecht. Rotterdam had het geluk dat door zijn ligging zijn markt nog enigszins gesteund werd, als voorpost van de Engelse handel op het continent; bovendien werd Rotterdam de eerste havenstad van het land door de enorme ontwikkeling van het expeditieverkeer.
Doch Nederland bleef achter: te late actie t.a.v. stoomschepen en spoorwegen, kortom een slechte verkeerspositie.

De veranderingen in de handelsorganisatie.
In de moderne handel in de 19e eeuw was er steeds minder behoefte aan een concrete markt: grote, snelle afzet was van meer belang dan een hoge prijs. De zuiging van Londen, de centrale markt met haar wijd vertakt stelsel van stoomvaartlijnen, werd door het moderne verkeer zeer versterkt. Alleen al het moderne berichtenverkeer betekende een principiële aantasting van het stapelsysteem: het maakte weinig meer uit waar je zat: de handelsactiviteiten konden op afstand gedaan worden, het opslagbedrijf raakte steeds losser van het handelsbedrijf.
De stapelmarkt deed nog wel dienst bij producten van agrarische oorsprong, met haar grote kwaliteitsverschillen, en die van grote afstand kwamen en over een ruim afzetgebied verdeeld moesten worden. Dit gold voor koffie en suiker, maar nog meer voor tabak en was ten gunste van Amsterdam en Rotterdam.
Door het verval van de stapelmarkt had de ‘tweede hand’ het meest te leiden: de commissionairs konden hun activiteiten nog anders richten, de ‘tweede hand’ werd met het verdwijnen van de internationale bemiddeling geheel overbodig, omdat de lijnen tussen importeur en grossiers/winkeliers directer werden.

De Nederlandse kooplieden hadden over het algemeen moeite met de nieuwe manier van handelen, zo ook met de kredietorganisatie, wat werd gezien als een bewijs van insoliditeit.
Rond 1860 liet Rotterdam weten van de beurtvaarten af te willen zien om zo het vrije bedrijfsleven de ruimte te geven.

De veranderingen in de Nederlandse handelspolitiek.
Nu de handel in de 18e en 19e eeuw zo terug was gelopen, en het buitenland doorging met de protectie van de inheemse industrie, was een Nederlandse exporterende grootindustrie zeer gewenst.
In 1816 kwam de tariefwet, met nog wijzigingen in 1819 en 1822.  Het portofranco-idee was voorgoed losgelaten en het protectionisme, vooral ten bate van de textiel- en metaalindustrie, openlijk binnengehaald. Hoe douanewezen werd op consequente wijze georganiseerd, een hemelsbreed verschil met het stelsel van 1725, dat slechts een slap toezicht kende.
De kooplieden klaagden nu steen en been, en sluikhandel werd flink lonend. De kooplieden hadden vanouds de overtuiging dat in- en uitgaande rechten op principieel andere wijze behoorden geheven te worden dan accijnzen. Onder de Republiek was de heffing van de accijnzen streng, en vond plaats als de goederen naar de verbruiker ging; aanvoer, opslag en verwerking van de belaste goederen bleven ongemoeid.
Nu bracht de regering beide middelen, de in- en uitvoerrechten, plus de accijnzen onder dezelfde administratie en was het moment van heffing bij de invoer of de productie. Bovendien gingen in 1819 ook de koffie en suiker hieronder vallen.
In 1816 werd eindelijk de knoop doorgehakt t.a.v. de doorvoerbelasting: 3% van de waarde, of het hoogste recht (van in- en uitvoer), naar keuze van de aangever. Verschillende artikelen werden nog van het recht van transito uitgezonderd, o.a. zout, lompen, specerijen en thee.
In 1818 werden de doorvoerrechten voor suiker, katoenen garens, lijnwaden en lakens aanmerkelijk opgevoerd. Ondanks de nadelige effecten, want het buitenland begon Rotterdam te mijden, werd in de tariefwet van 1822 de stapelpolitiek in principe gehandhaafd.
Internationale besprekingen brachten de Rijnvaartacte tot stand: vanaf 1831 was transito langs de Rijn door Nederland mogelijk, tegen betaling van ‘vast recht’. Het betekende een belangrijke verzwakking van de stapelpolitiek.
Maar het buitenland bleef niet stil zitten: in 1843 werd de spoorweg naar Keulen geopend, en koning Leopold hief het Belgisch transitorecht voor de daarlangs vervoerde goederen op. Zo deed ook Pruisen met deze lijn.
Dit schudde Nederland wakker: in een kort tijdsbestek werd in het bijzonder Rotterdam vooruitstrevend en liberaal in elk opzicht.
De nieuwe tariefwet van 1845 kwam hierin tegemoet: de uit- en doorvoerrechten bleven slechts nominaal, het peil van de invoerrechten daalde aanmerkelijk. Verder werden havenkosten in Rotterdam zo laag mogelijk berekend, en de officiële tarieven, voor zo ver nog van kracht, waren matig.
Alle gedachte aan monopolie was opgegeven.
In 1850 werden de doorvoerrechten en de riviertollen definitief afgeschaft.
In 1862 volgden de laatste resten van de protectie; een en ander met volledige instemming van de Amsterdamse en Rotterdamse handel.
De snellere en kortere directe lijnen tussen verkoper en koper waren kostenbesparend.
Vooral Rotterdam kreeg door de liberale situatie een gewichtige verkeersfunctie: men was de stapelmarkt ontgroeid!

De Prins voor Amsterdam.

Reacties uit pamfletten op de aanslag van 1650.

S. Groenveld.

Pamfletten waren niet het enige medium van meningsuiting; toch is het mogelijk er een publieke opinie uit te distelleren. Zij waren bij uitstek de uitlaatklep voor opgekropte gemoederen. De inhoud kon een platvloerse scheldpartij zijn, maar ook een degelijk beredeneerde aanval, of zelfs een staatsstuk zijn waaraan men bekendheid trachtte te geven. Gemeen hebben pamfletten, dat ze alle een tendentieuze strekking hebben.

Dit boek gaat over de beschouwingen van eind juli en begin augustus 1650 tot het plotselinge overlijden van stadhouder Willem II in november 1650.

Als de Vrede van Munster in 1648 is bekrachtigd en afgekondigd, is er alom vreugde. Vooral machtige Amsterdamse regenten hadden deze vrede tot stand gebracht: burgemeester Andries Bicker en de regent/diplomaat Adriaen Pauw.
Toch zijn er Nederlanders die er anders over denken en Spanje blijven wantrouwen, mede door de op het Concilie van Konstanz genomen beslissing, dat een katholiek land zich niet hoeft te houden aan overeenkomsten die het met afvalligen van de kerk van Rome heeft gesloten. Voor deze mensen bleef de Spanjaard de wolf in schaapskleren.
Er is echter ook een groep die ten sterkste aan de goede trouw van de staatse onderhandelaars twijfelt. Tot de onverzoenlijkste tegenstanders van de Vrede behoorde de jonge stadhouder Willem II. Hij had zich militair graag willen bewijzen, en heeft ook vergeefs getracht de vredesonderhandelingen te boycotten. Hij had (nog) niet de invloed die zijn vader Frederik Hendrik had bezeten. Door de vrede zou zijn rol van stadhouder uitgespeeld kunnen raken. Hij wilde het liefst het behoud van wat zijn vader had opgebouwd, en een uitbreiding daarvan. Daarom wilde hij de gehate vrede met Spanje verbreken.

Frederik Hendrik heeft door zijn militaire roem zich opgewerkt tot een hoogte die bijna te vergelijken was met die van een vorst. Zijn doel was het bereiken van de soevereiniteit.
Door het vergeven van ambten bond hij de afgevaardigden van de Staten-Generaal aan zich, allen, behalve die van Holland, want hun Staten van Holland zaten letterlijk op korte afstand in Den Haag.
Het aanzien van Frederik Hendrik stelde hem in staat in de buitenlandse politiek van de Republiek een grote vinger in de pap te krijgen. De instelling van het Secreet Besogne in 1634, gevormd uit enkele leden van de Staten-Generaal, die onder voorzitterschap van de prins vergaderde en besliste over buitenlandse zaken, en die tegenover hun opdrachtgevers geheimhouding verschuldigd waren, was daar wel het duidelijkste bewijs van.

Er was de samenzwering met Frankrijk: in 1634 en 1635 kwamen verdragen tot stand, waarbij de kern was een gemeenschappelijk optreden tegen Spanje en een verdeling der Zuidelijke Nederlanden tussen hen beiden. In 1637 had Frankrijk hem met de titel ‘Altesse’ vereerd.

De belangstelling van Frederik Hendrik ging uit naar persoonlijk bezit van stad en markizaat van Antwerpen en haar haven. Zou de handel van deze stad herleven, dan zou de prins de steeds sterker wordende positie van Amsterdam kunnen fnuiken.
Daarnaast wilde Frederik Hendrik zich mengen in de Engelse burgeroorlog. Dynastieke aspiraties bracht in 1641 een huwelijk tussen de 15-jarige Willem van Oranje en de 9 jaar oude Mary, oudste dochter van de Engelse koning Karel I. Frederik Hendrik wilde tenslotte ook wapens en munitie aan Karel I zenden. Maar nu kwamen de Staten van Holland in het geweer, en bepaalden dat Hollandse afgevaardigden van de Staten-Generaal geen zaken meer mochten verwijzen naar het Secreet Besogne. Ook andere gewesten, met Gelre voorop, gingen over tot dergelijke instructies. Dit betekende de nekslag voor het Besogne en tegelijkertijd het einde van Frederik Hendriks hoofdrol in buitenlandse aangelegenheden.
De Hollanders gaven ook de stoot tot de vredesonderhandelingen in Westfalen.
De sluiting van de vrede was in feite tegen het verdrag met Frankrijk, waarin was bepaald dat de oorlog met Spanje alleen gemeenschappelijk zou worden beëindigd. De Hollandse regenten hadden hierdoor een overwinning behaald op het streven van Frederik Hendrik naar soevereiniteit.
Frederik Hendrik zelf beleefde deze nederlaag niet: hij stierf in 1647.

Willem II was eerzuchtig, maar miste de voorzichtigheid van zijn vader; hij ging onstuimig en onbesuisd te werk. Maar zijn optreden is te kort geweest om een goed oordeel te geven over zijn capaciteiten. Ook Willem II richtte zich vooral op de buitenlandse politiek. Hij hield geheim overleg met Franse diplomaten, met in het achterhoofd de hervatting van de gezamenlijke strijd tegen Spanje. Deze plannenmakerij ging lijnrecht in tegen de officiële neutraliteitspolitiek die de Staten-Generaal voerde.
Ook Frederik Hendriks tweede programmapunt, hulp aan het Stuarthuis, werd door Willem II opgepakt. Hard kwam daarom het nieuws in 1649 aan, dat Karel I was onthoofd.
Willem II besloot nu zijn zwager Karel te gaan steunen tegen de parlementarissen. De Staten-Generaal besloot echter de neutraliteit vast te houden.
Zo ontstond er in de jaren 1649-1650 een constitutionele strijd tussen Oranje met zijn buitenlandse plannen en Holland dat vrede en welvaart voorstond.
De moeilijkheden werden toegespitst op de vraag wat men, nu het vrede was, met het leger aanmoest. Holland wilde inkrimpen, Oranje absoluut niet.
Holland, dat in totaal 58% van de kosten voor het leger voor haar rekening heeft genomen tijdens de oorlog, wilde het aantal soldaten verminderen om haar financiële toestand te verlichten. Bovendien wilde Holland de stadhouder een wapen uit handen nemen waarmee hij zijn eventuele aspiraties kracht zou kunnen bijzetten.
Doch de zes andere gewesten gingen mee met Oranjes plannen. Maar Holland houdt voet bij stuk. Er is dan maandenlang een patstelling. De uiteindelijk beslissing inzake de afdanking ligt bij de Raad van State, en daar kan Holland niets ondernemen.
Maar wel kan Holland de afdanking doordrijven door de goedkeuring tot de betaling van de militiegelden te verwerpen. En zo gebeurt het dat op 4 juni 1650 een aantal oversten die onder Hollands repartitie vallen, berichten dat Holland hen niet langer zal betalen.

Reeds de volgende dag, 5 juni 1650, verschijnt Willem II in de vergadering van de Staten-Generaal: het plan is, dat een aantal leden van de Staten-Generaal langs alle Hollandse steden wordt gezonden om hen te bewegen een reeds genomen besluit te herroepen.
Dit voorstel is aangenomen door zeer handig te manipuleren met de blanco-stemmen. Een onverwachte stap van de prins volgt, als hij zich, tegen beter weten in, aan het hoofd van deze bezending stelt en spoedig met zijn volgelingen op pad gaat. Het resultaat van de rondgang is nul. Sommige steden weigeren hem zelfs de toegang tot de stad, of weigeren hem, zoals Amsterdam, in hun vergadering van de vroede vaderen toe te laten.
Op 27 juni 1650 brengt een verontwaardigde Willem verslag uit aan de Staten-Generaal. Deze gebeurtenissen had hij nodig om vooral Amsterdam op zijn nummer te zetten, Amsterdam dat al zijn plannen had gedwarsboomd. Het handelen van Willem II in juli 1650 is in sterke mate geïnspireerd door de Friese stadhouder Willem Frederik, die al eind 1649 had voorgesteld om Amsterdam te bezetten.
De resolutie van 5 juni 1650 kan hij altijd als basis van zijn handelen aanwijzen.

Om de publieke opinie te beïnvloeden laat Willem II een pamflet uitgeven, dat de tekst van een gefingeerd verdrag bevat, waarin Amsterdam door Engelse militairen hulp wordt toegezegd om haar inzichten in de Republiek met geweld te kunnen doorzetten.
Op 30 juli 1650 laat de prins onverwachts zes vooraanstaande Hollandse regenten arresteren, waaronder de vader van Johan de Witt, die naar Loevestein worden afgevoerd.
In de nacht er voor had hij in het grootste geheim troepen naar Amsterdam opgecommandeerd om de stad te bezetten. De nachtwake bij de poorten was namelijk een zwak punt.
Dit leger, door regen en duisternis op de Hilversumse heidevelden verdwaald, kwam pas bij Amsterdam aan, toen deze, gewaarschuwd door een postbode uit Hamburg, die toevallig de troepen was gepasseerd, al in staat van verdediging was gebracht. De verrassing was mislukt, maar de troepen bleven voor Amsterdam; schermutselingen deden zich eigenlijk niet voor. Willem II ging nu zelf naar Amsterdam, dat met inundatie van haar omstreken dreigde.
Maar al op 3 augustus 1650 wist de prins met vertegenwoordigers van de stad een overeenkomst te sluiten, waarbij bepaald werd dat de gebroeders Andries en Cornelis Bicker hun ambt zouden neerleggen en de stad zich zou voegen naar de plannen van de prins inzake de militie. Vervolgens trokken de troepen af. Hoe is het mogelijk dat beide partijen zo snel tot overeenkomst kwamen?
Van de kant van de prins is het begrijpelijk: het verbloemde de mislukking van zijn handelen en redde zijn figuur, want boden, door de Staten-Generaal gestuurd, waren al onderweg om hem terug te roepen.
Maar waarom ging Amsterdam zo snel overstag? Vanwege de handel die geen insluiting kon verdragen? Anderen meenden dat er zonder de Bickers geen probleem meer was, maar ook dat er in regeringskringen binnen de stad oppositie bestond tegen de almachtige Bickers, die hen op deze manier vlot kwijt waren, en de Bickers konden naar buiten toe de eer aan zich houden nu ze zich ‘voor de vrede’ opgeofferd hadden. De Staten van Holland stemde nu in met de voorgestelde legerbegroting.

Nog in augustus 1650 liet Willem II door Friesland een voorstel bij de Staten-Generaal indienen om te bemiddelen in de oorlog tussen Frankrijk en Spanje, waarbij de prins meer aan de Franse kant stond, wat duidelijk uit het voorstel naar voren kwam. Door overleg met de Gecommitteerde Raden, het dagelijks bestuur van de staten, wisten de Hollandse gedeputeerden de generaliteit te bewegen het voorstel van alle scherpe kantjes te ontdoen. De prins kon nu alleen als strikt neutraal onderhandelaar optreden, en…. daarmee was hij weer even ver als vóór zijn actie tegen Amsterdam.
Toch hield Willem II contact met de Fransen, wat leidde tot een ontwerpverdrag, dat de prins echter nooit onder ogen heeft gehad. Volgens de bepalingen van het stuk zou de prins vóór 1 mei 1651 Spanje de oorlog aanzeggen en met Franse steun Karel Stuart op de Engelse troon zetten. Als beloning zou Willem II het zo fel begeerde markizaat van Antwerpen zijn aangeboden.

Doch de dood van de prins op 6 november 1650 maakte onverwacht een einde aan de te verwachten nieuwe moeilijkheden.

In de pamfletten beschouwde men Willems optreden (voor of tegen) in het licht van de binnenlandse toestanden. De eigenlijke achtergronden lagen in de buitenlandse politiek van de prins.
Nog nooit eerder, alleen met uitzondering van het Twaalfjarig Bestand, hadden zovele pamflettisten zich beziggehouden met problemen rond de constellatie van onze staat.
De Unie van Utrecht van 1579 was een noodgedwongen samengaan van decentralistisch ingestelden. En dit tractaat heeft meer dan twee eeuwen lang als constitutie van de Republiek dienst gedaan.
Volgens Calvijn en de monarchomachen mocht een volk zich verzetten tegen een tiran: de Spaanse koning in ons geval.
Volgens Calvijn was de vorst door God met zijn gezag bekleed. Maar als die vorst de grenzen van zijn macht overschreed, mochten de lagere magistraten, die ook hun gezag aan God ontleenden, de vorst tot matiging manen. Dit sloot aan bij de monarchomachen: de vorst krijgt het gezag namens het volk aangeboden door de staten of standen als vertegenwoordigers van dat volk. Niet de vorst, maar de staten zijn soeverein.
De vermenging van deze denkbeelden legden de basis voor het Plakkaat in 1581. Daarna zochten de Staten-Generaal een nieuwe bekleder van de soevereiniteit: Anjou en Leicester bleken echter geen waardige opvolgers van de afgezette vorst. En zo, uit nood, namen de Staten-Generaal de soevereiniteit zelf ter hand. Een klein deel van de soevereiniteit  stonden ze af aan de stadhouder. Maar was deze eerder in de oude toestand de plaatsvervanger van de vorst, nu was hij dienaar van de Staten-Generaal geworden.
De Goudse pensionaris François Francken had een historische basis gelegd voor de theorie over de legaliteit van onze opstand, door te verklaren dat ook in de middeleeuwen de soevereine macht bij de staten en niet bij de graven of hertogen berustte. Hugo de Groot weet deze soevereiniteit verder terug te voeren tot in de oudheid: de Bataven hadden als hun overheid een soevereine standen- of statenvergadering ingesteld. De koningen zouden geen soevereine vorsten zijn geweest: zij hadden slechts nauwkeurig door de staten omschreven functie, die vooral tot het opperbevel over het leger beperkt was. En de 17e eeuw slikte dit verhaal.
De dichter Hooft verkondigde in de periode van de twisten tijdens het Twaalfjarig Bestand de mening dat de monarchie als helend middel kan dienen, ook in een aristocratisch geregeerde staat; zijn theoretisch ondergrond vormen de werken van Tacitus en diens humanistische commentatoren. Zijn monarch stond boven de partijen, dus niet zoals Maurits’ situatie.
Paul Buys (Paulus Busius) gaat terug naar de Romeinse situatie; hij kent een ondeelbare soevereiniteit toe aan de princeps et senatus (vorst en senaat samen).
Vooral met deze verschillende bovenstaande denkbeelden bestookten de mensen elkaar in de pamfletten. Een enkeling verzucht dat de ideale regeringsvorm niet bestaat.

Ingewikkeld is het wel: waar ligt de soevereiniteit: Staten-Generaal / Raad van State / afzonderlijke zeven staten / stadhouder?
De prinsgezinden zien in de resolutie van 5 juni 1650 de rechtvaardiging van het optreden van de prins.
De staatsgezinden vonden dat de Staten-Generaal deze resolutie nooit hadden mogen aannemen: een bezending langs de afzonderlijke steden was per definitie onjuist, daar gingen de Staten van het gewest over. Vandaar dat zij het terecht vonden dat sommige steden de prins hadden geweigerd te ontvangen. En als Willem al bemiddelaar was, dan schreef de Unie van Utrecht voor dat de bemiddeling door een onpartijdig arbiter moest geschieden, en dat was de prins niet. En zijn gezag ging dan ook niet eens verder dan die bezending, dus was zijn op eigen initiatief genomen poging tot inname van Amsterdam helemaal fout.

Volgens sommigen lag de schuld niet bij de stadhouder, maar bij zijn adviseurs:
·     
Cornelis van Aerssen, heer van Sommelsdijk, die geheime contacten had met Mazarin na de Vrede van Munster.
·     
Griffier Musch, die een dubieuze rol speelde bij de resolutie van 5 juni 1650, en om wiens dood, kort na het overlijden van Willem II, nog steeds een waas van geheimzinnigheid hangt.
·     
Capellen van Aertsbergen, die tijdens de bezending de Dordtse magistraat door dreigementen wilde overreden.

Nergens wordt echter de persoon van Willem Frederik, de Friese stadhouder, genoemd.

Op vele staatsgezinde pamfletten staat vermeld dat ze gedrukt zijn in de Zuidelijke Nederlanden of er worden gefingeerde drukkerijen opgegeven.
De prinsgezinden mikten hun pijlen in de eerste plaats op de machtige Amsterdamse familie Bicker, met hun nestor Andries en de burgemeester van 1650, Cornelis, voorop. Zij waren de weerstrevers van Frederik Hendrik, zij zagen diens plannen om de Schelde te openen als zeer nadelig voor Amsterdam, zij hadden Frederik Hendrik weten te bewegen de vredesonderhandelingen met Spanje in te gaan. Voor de staatsgezinden waren zij juist de ware patriotten en de peilers van onze welvaart. De Bickers worden door de prinsgezinden ook gezien als degenen die de echte calvinisten dwarszaten, en de arminianen, katholieken e.a. te veel ruimte gaven. Door de actie tegen Amsterdam werd de prins als beschermer van de ware religie beschouwd.

De herroeping van het Edict van Nantes (1685) in de Franse en Nederlandse geschiedschrijving.

A.Th. van Deursen, F.R.J. Knetsch, S.B.J. Zilverberg, G.J. Schutte (red.).

A.Th. van Deursen: De herroeping van het Edict van Nantes in de nieuwere Franse geschiedschrijving.
Van Deursen mist een boek dat de gebeurtenissen van het jaar 1685 met de epische kracht van een Presser (“Ondergang”) voor ons tot leven brengt. Zo’n boek kan geschreven worden, want de bronnen zijn er. Nieuwe oriëntaties over dit onderwerp:

de kwantitatieve
: hoeveel protestanten waren er aan de vooravond van de herroeping? Onderzoek in de 50-er jaren van de 20e eeuw kwam uit op 865.000. Op een totale bevolking van 19 miljoen betekent dit 4,5%. De politieke kracht van het Franse protestantisme lag in het relatief grote adellijke bestanddeel dat zijn leiders had in de Hugenootse groten. In de loop van de 17e eeuw echter zijn die groten een voor een katholiek geworden, tot de laatste aan toe, waardoor de weg naar de herroeping was geëffend. Deze overgang zal (deels) ook hebben plaatsgevonden onder de lage adel.
Tegen de tijd van de herroeping schijnen de katholieken en de protestanten zich in toenemende mate voor elkaar hebben afgesloten, zoals minder gemengde huwelijken, minder overgang van rooms-katholiek naar protestant en andersom.
Na de herroeping gaan veel protestanten over naar het katholicisme, maar lang niet iedereen. Zo’n 20 tot 25% week uit naar het buitenland. Ten hoogste 50% werd definitief katholiek. Dit bleek na onderzoek in het diocees La Rochelle.

Het geestelijk leven van de gemeente
: Pierre Bolle heeft geschreven over Mens-en-Trièves in Dauphiné van 1650 tot 1685: hij telt lidmaten, huwelijke, doopsbedieningen en collecteopbrengsten. Deze gemeente telde 800 tot 900 zielen. Uit de gegevens is wel het een en ander te halen, maar niet alles. De controle op de lidmaten op aanwezigheid tijdens de kerkdiensten was groot. Daardoor waren er grote opkomsten, zeker bij het avondmaal.
Het lijkt volgens Bolle dat na de herroeping juist zij die moeite hadden met de volledige aanvaarding van de protestantse kerkelijke tucht, later overgingen naar het katholicisme, en dat waren niet de minsten in die gemeente.
Wie na de herroeping op zijn sterfbed de sacramenten weigerde, werd bestraft met de verbeurdverklaring van al zijn goed, en zijn of haar lijk werd op de mestvaalt geworpen. Daarom stierven veel protestanten ‘totaal onverwacht’, zodat de familie werkelijk geen tijd of gelegenheid had de priester er bij te roepen (!)
“Het wachten is op de historicus die 1685 in beeld brengt als een stuk Franse geschiedenis, dat alle Fransen aangaat”.

S.B.J. Zilverberg: De herroeping van het Edict van Nantes in de Nederlandse geschiedschrijving. De uitvaardiging van het Edict van Nantes in 1598 onder Hendrik van Navarra, de latere Hendrik IV, moet de Nederlanders veel voldoening hebben geschonken.
Het Edict boette echter veel aan betekenis in na de troonsbestijging van Hendriks kleinzoon, Lodewijk XIV, die sedert 1661 regeerde. Er kwamen allerlei maatregelen tegen de Hugenoten gericht. Na de Vrede van Nijmegen in 1678 had Lodewijk de handen vrij en bracht hij de Franse Protestanten steeds verder in het nauw.
De komst van vele vluchteling bracht hier een uitgesproken anti-Franse stemming te weeg. Veel indruk maakten de verhalen van de refugiés over terreurdaden zoals het onttrekken van kinderen van Hugenoten aan de ouderlijke macht en de inkwartiering van de dragonders. Uiteindelijk was er op 18 oktober 1685 de opheffing van het Edict van Nantes. Mogelijkerwijs had de beslissing van Lodewijk XIV te maken met de troonsbestijging in Engeland van de katholieke Stuart Jacobus II. Bovendien voelde Lodewijk zich niet alleen hoofd van de staat, maar tevens opperpriester van de Franse katholieke kerk, en hoewel de Hugenoten altijd trouwe dienaren van de koning waren geweest, meende Lodewijk toch dat onder het eenhoofdige gezag slechts één godsdienst paste.
Vrij veel Hugenoten zagen nog kans Frankrijk te verlaten om zich in het buitenland te vestigen, met name in de Republiek en Brandenburg.
(De biechtvader van Lodewijk XIV was Père Lachaise).
De belangstelling voor het lot van de refugiés had rond 1690 haar hoogtepunt gehad, om om te slaan in kritiek op de immigranten die allerlei voorrechten genoten, die waren onthouden aan geboren Nederlanders.

In 1715 kwam een einde aan de geprivilegieerde positie van de refugiés en werden ze in rechte gelijk gesteld met de andere Nederlanders. Irritatie ontstond over de vermeende schadelijke invloed van de nieuwkomers op de oud-Nederlandse degelijkheid. (Hoe was het ook al weer de reactie op de komst van de Vlamingen en Brabanders zo’n 100 jaar eerder?).
Met de Bataafse Revolutie kwam de scheiding tussen kerk en staat tot stand, waardoor de Waalse kerken, die een nauwe relatie hadden met de gereformeerde kerk, niet langer konden bogen op bijzondere voorrechten.
Een belangrijk werk over de geschiedenis van de Hugenoten in Nederland kwam van de hand van Hendrik Jacob Koenen in 1846: “Geschiedenis van de vestiging en den invloed der Fransche vluchtelingen in Nederland.”
In het gedenkjaar 1885 verschenen werken van de Waalse predikant M.A. Perk, en later van J. Arnal, H. Bolhuis, D.F. Poujol.
Robert Fruin schreef slechts terloops over de opheffing, o.a. over het feit dat paus Innocentius XI de opheffing afkeurde en over de vaak neutrale houding van de katholieken in de Republiek t.o.v. de Hugenoten, omdat die katholieken vanwege hun vaak jansenistische denkbeelden lang niet allemaal pro-rooms waren.
In 1985 verscheen het boekwerk “Vlucht naar de vrijheid, de Hugenoten in Nederland”, onder redactie van H. Bots.

F.R.J. Knetsch: Elie Saurin (1639-1703). Waals predikant in turbulente tijden.
Het Edict van Nantes betekende geen gelijkstelling van de hervormde kerk in Frankrijk. De rooms-katholieke kerk bleef zeer nadrukkelijk staatskerk. De Hugenoten mochten bijv. geen gebouw hebben in Parijs of zelfs binnen een straal van zes mijl rond de stad. Wat was toegestaan was vrije belijdenis van de gereformeerde overtuiging en eigen, ook politieke, organisatie.
Na de laatste godsdienstoorlog in 1629 verviel het recht op politieke organisatie: het recht van verzet was hiermee geëlimineerd. Ze waren steeds minder gevrijwaard van willekeur en discriminatie. Predikanten waren vaak doelwit; dit ondervond Elie Saurin. Na een incident in 1664, waarbij een priester met het sacrament op weg naar een stervende het pad van een begrafenisstoet kruiste met Surin aan het hoofd, en een chaotische situatie ontstond, week Saurin uit naar Nederland, waar hij in 1665 tot ‘pasteur’ in Delft werd bevestigd.
In 1671 vestigde hij zich in Utrecht, waar hij het jaar daarop de Franse bezetting meemaakte, en hij vreesde voor gevangenschap, omdat hij bij verstek veroordeeld was in 1664. Gelukkig bleven gevreesde gevolgen uit.
Toen in 1678 in Engeland het tot een gerechtelijke moord op jezuïeten kwam, laaide in Frankrijk het anti-protestantisme hoog op, en door hogerhand gestimuleerd kwam het tot vervolging van protestanten. Hierop reageerden Saurin e.a. naar de Waalse Synode toe in 1680 i.v.m. de te verwachten stroom van vluchtelingen uit Frankrijk. De vraag om hulp, vooral materieel, ging ook naar de Gereformeerde Utrechtse synode, die net op dat moment werd gehouden. Men ondervond daar bijval om tot fondsstichting te komen, maar de politieke en staatkundige realiteit was anders: men wenste het juist bevriende staatshoofd, de Zonnekoning, niet te provoceren.
En inderdaad, in 1681 verliet een grote golf refugiés Frankrijk, een deel hiervan bereikte de Republiek. Nu was fondsvorming wel aan de orde en komen er huis-aan-huis-collectes.
Maar de Staten-Generaal is nog niet tot enige actie te bewegen; die komt pas na de herroeping van 1685.

In 1687 schreef Pierre Jurieu een boek over contemporaine toepassing van bijbelse voorzeggingen: de verlossing der Hugenotenkerk was zeer nabij. Jurieu had nog meer opvallende ideeën.
Saurin kwam in 1691/1692 met een geschrift “Apologie contre les accusations de Mr. Jurieu”. Diens nieuwe ideeën waren in Saurins ogen allesbehalve aanbevelenswaardig.
Saurin overleed in 1703.

De Beeldenstorm.

J. Scheerder.

 

De oorzaken van de Beeldenstorm.
In 1559 verliet Filips II de Nederlanden om naar Spanje terug te keren.
Zijn halfzuster, Margaretha van Parma, had hij als zijn plaatsvervanger benoemd. Zij moest zich laten adviseren door de Raad van State en de Geheime Raad. In gewichtige aangelegenheden moest zij Viglius, president Raad van State en van de Geheime Raad, alsmede Berlaymont, chef van de Raad van Financiën, en vooral Granvelle raadplegen.
Na enige tijd voelden de hoge edelen zich achteruitgesteld omdat belangrijke zaken achter hun rug werden afgehandeld.
In 1561 boden Oranje en Egmont hun ontslag aan als leden van de Raad van State, omdat zij niet langer de verantwoordelijkheid wilden dragen voor maatregelen, zonder hun voorkennis, door kardinaal Granvelle getroffen.
In 1562 nam het verzet tegen Granvelle toe, en ontstond de Liga van de hoge edelen: Oranje, Egmont, Horne, Bergen, Montigny, Mansfeld en Megen.
In 1563 verzochten Oranje, Egmont en Horne de koning om Granvelle te ontslaan. Uiteindelijk stemde de koning hiermee in.
Een warrige bestuurlijke periode brak aan.
Eind 1564 werd door de Raad van State besloten om Egmont naar Spanje te sturen om de koning in te lichten over de noden en de ellende van het land.
In Spanje werd Egmont met alle honneurs ontvangen. Pas na maanden kwam het schriftelijke antwoord van Filips II: geen hervorming van de regeringsraden, geen bijeenroepen van de Staten-Generaal, wel een strengere handhaving van de kettervervolging. De bekendmaking van de inhoud van de brieven verwekte hevige beroering in het land: het gerucht verspreidde zich dat de koning de Spaanse inquisitie in de Nederlanden wilde invoeren. De agitatie werd opgevangen door een groep lagere edelen, onder wie talrijke hervormden.

Door de vrede van Cateau-Cambrésis tussen Spanje en Frankrijk in 1559 stonden de grenzen ook meer open voor de calvinistische propaganda vanuit Frankrijk.

De oprichting van de nieuwe bisdommen stuitte op verzet: de edelen waren misnoegd door de bepaling dat de nieuwe bisschoppen gegradueerd moesten zijn in de godgeleerdheid of in kerkelijk recht, zodat de jonge zonen van adellijke families praktisch geweerd werden van de bisschopszetel.
Ook geestelijken waren misnoegd: de bisschoppen die een deel van hun bisdom en dus inkomsten verloren, grote abdijen die hun zelfstandigheid inboetten.
En het volk was misnoegd omdat het een verscherpte inquisitie duchtte.
In 1564 werden aan de uitvoering van de besluiten van het Concilie van Trente allerlei moeilijkheden in de weg gelegd door de Raad van State, de Geheime Raad en de provinciale raden.

Sinds het vertrek van Granvelle begonnen de hoge edelen te ijveren voor het verzachten van de plakkaten; gerechtelijke en stedelijke magistraten saboteerden de toepassing van de plakkaten: er werden inderdaad minder protestanten terechtgesteld na het vertrek van Granvelle.

In Spa vonden er besprekingen plaats tussen de lutheraan Lodewijk van Nassau, de vurige calvinistische edelen Jan van Marnix, heer van Thoulouse en Nicolas de Hames, en het kerkeraadslid Gilles le Clercq. Zij overwogen de oprichting van een verbond met het doel gewetensvrijheid te verkrijgen.
Te Brussel kwam een 20-tal jonge edelen bijeen; ze besloten een verbond te stichten met het doel een einde te maken aan de inquisitie, en de plakkaten te doen verzachten. Er werd een manifest opgesteld dat in de maanden daarop door meer dan 500 edelen, katholiek en protestant, werd ondertekend. Op 5 april 1566 hielden ca. 200 leden van het Verbond der Edelen een mars op Brussel.  Brederode bood daar Margaretha van Parma, de regentes, een smeekschrift aan, waarin gevraagd werd een voorlopige schorsing van de inquisitie en van de toepassing van de plakkaten, totdat de koning in overleg met de Staten-Generaal de godsdienstzaken zou hebben geregeld. De regentes beloofde dat zij de inquisiteurs en magistraten zou verzoeken voorlopig met bescheidenheid te werk te gaan.

De hervormden meenden dat nu alles was toegelaten. Hagepreken werden op steeds talrijker plaatsen georganiseerd, waar de nadruk viel op het zuivere geloof zonder afgoden, zoals de beelden in de kerken.
Wegens de gezagscrisis in de Nederlanden bleef het plakkaat van 3 juli 1566, dat de hagepreken verbood, een dode letter.
In de periode tot de Beeldenstorm had de overheid te kort aan geld, mede omdat beden werden geweigerd. Ook was het belastingsysteem verouderd: onroerend goed (vaak van de boeren) werd zwaar belast; daarentegen werden koophandel, grootindustrie, en het in leningen geïnvesteerde kapitaal zo goed als ongemoeid gelaten.

Na de Vrede van Cateau-Cambrésis in 1559 volgden een paar jaren van stevige groei in de handel. Toen kwamen de handelsmoeilijkheden met Engeland, die in de periode 1563-1564 een crisis schiep in de Brabantse veredelingsindustrie. Na 1564 zagen de loonarbeiders hun lonen voortdurend zakken.
In 1564 en 1565 waren er zeldzame strenge winters.
Door de mislukking van de graanoogst en de verwikkelingen aan de Sont, die het vervoer van oostzeegraan belemmerden, bereikten de graanprijzen in december 1565 een hoogtepunt, met daarna een langzame daling.
De vraag is nu wie de beweging van de Beeldenstorm hebben ontketend: waren het de hongerlijders, de sociaal miskenden, het lompenproletariaat, of waren zij slechts instrumenten en medewerkers?

Het verloop van de Beeldenstorm.
Drie fasen:
1.     10 tot 18 augustus 1566 waren verscheidene rondtrekkende groepen beeldenstormers bezig in het Westkwartier
2.     20 tot 27 augustus 1566 werd er hevig gestormd in de Scheldestreek en in sommige steden in Holland
3.     in september en begin oktober 1566 werden nog kerken ‘gezuiverd’ ten noorden van de grote rivieren. Midden september werd ook nog weer gestormd in het Westkwartier.

Eerste fase: in het Westkwartier.
De Beeldenstorm begon in Steenvoorde in het Westkwartier op 10 augustus 1566 in de Kasselrij Kassel. Het was grotendeels het werk van rondtrekkende groepen, ook wel geholpen door de lokale inwoners. In dit gebied van Westkwartier bleven weinig kerken, abdijen of kloosters gespaard.
Op 10 augustus, na een preek van Sebastiaan Matte te Steenvoorde, trokken zijn opgezweepte toehoorders naar het Sint-Laurentiusklooster buiten de stad, en verbrijzelden er de beelden onder leiding van de predikant Jacob de Buyzere.
Daarna vertrok Sebastiaan Matte naar Poperinge en werd hij de gangmaker van de beweging in de kasselrij Veurne en Ieper.
Jacob de Buyzere trok naar de kasselrij Belle; na predikatie werd er gestormd in het Sint-Antoniusklooster buiten de stad. Op 14 augustus trok een groep stormers uit Vlaanderen in Artesië binnen. Het is niet bekend of zij op 10 augustus al actief waren geweest. En zo trokken de beeldenstormers door de gehele kasselrij Kassel; in slechts een 10-tal dorpen vond geen beeldenstorm plaats.

In de kasselrij Sint-Winoksbergen werd er gestormd in 21 steden en dorpen.  De aanval begon op de kerken te Hondschote op 15 augustus. Het is niet duidelijk of het één en dezelfde groep was die van dorp tot dorp trok; het aantal stormers per plaats was wisselend: soms 40, maar ook 12 of 30 etc. Als het kerkgoed verstopt was, ging men het zoeken in de particuliere huizen. In de gehele kasselrij Sint-Winoksbergen zijn er maar twee dorpen waar de parochie uitsluitend door de inwoners zelf werd gezuiverd.

Kasselrij Belle was vanaf 13 augustus aan de beurt: geen kerk werd er gespaard. Ook hier rondtrekkende groepen, die soms de hulp kregen van de inwoners.

Kasselrij Veurne vanaf 14 augustus.

Kasselrij Ieper vanaf 14 augustus; in slechts een 6-tal dorpen zouden de kerken gespaard zijn gebleven.

Het Land van het Vrije Leen: vanaf 15 augustus.

Kasselrij Kortrijk, vanaf 16 augustus; opnieuw rondtrekkende groepen, die geregeld medewerking kregen van inwoners, soms zelfs van magistraten. In Kortrijk zelf heeft geen Beeldenstorm plaats gevonden.

Kasselrij Rijsel, vanaf 16 augustus. Hier was geen tegenstand van de plaatselijke bevolking. Geen Beeldenstorm in Rijsel zelf door kordaat verzet van de overheid, en omdat de calvinisten slechts een klein deel van de bevolking uitmaakte.

Tweede fase: in het Scheldegebied.
Was Steenvoorde het epicentrum van de Beeldenstorm in Westkwartier, in het Scheldegebied was dit Antwerpen.
In de Scheldestreek was er geen sprake van een predikant, vergezeld van een gewapende escorte. De Beeldenstorm in de Scheldestreek werd meestal georganiseerd in de steden, en in de directe omgeving. 

In Antwerpen werd op 18 augustus het 8-dagen durende feest van Maria-Hemelvaart onderbroken vanwege de onrust die er was door de binnenkomende berichten over de gebeurtenissen in het Westkwartier. Op 19 augustus vertrok Oranje uit de stad, en volgde na een incident in de O.L.-Vrouwkerk de Beeldenstorm aldaar. Van deze kerk trok men naar andere parochiekerken. Wat in Antwerpen gebeurde werd uitgevoerd volgens een opgezet plan: hervormden uit hogere sociale stand dirigeerden als toeschouwers op afstand; stormers werden ook betaald voor hun acties. De dag nadat Oranje in Antwerpen terug was, werden drie beeldenstormers opgehangen, en drie anderen uit het land verbannen.

Lier: vanaf 21 augustus; de Beeldenstorm lijkt hier te zijn beraamd. Zelfs dienaren van de schout waren als stormers actief; de schout zelf stond er lachend bij.

Gent: vanaf 22 augustus; er waren hier wel voorzorgsmaatregelen genomen, toch werden zeven parochiekerken, de collegiale kerk van Sint-Veerle, tien mannenkloosters, twaalf vrouwenkloosters, drie begijnhoven, tien hospitalen of godshuizen en zeven kapellen gestormd. De meerderheid van de stormers waren inwoners van Gent, uit alle klassen van de samenleving, maar er waren ook stoottroepen uit het Westkwartier.  Op 23 augustus maakte de hoogbaljuw een einde aan de Beeldenstorm; door de magistraat van Gent en daarna door de Raad van Beroerten werd een vijftigtal stormers terechtgesteld.

De Oudburg, liggend om kasselrij Gent. De Beeldenstorm vond plaats door de stormers vanuit Gent, direct na de gebeurtenissen in Gent, en wel in verschillende groepen. Op 24 augustus organiseerde de pastoor van Oostwinkel de Beeldenstorm in zijn eigen kerk. In Aalst was zelfs edelvrouw Catharina van Boetzelaer actief.

Doornik en het Doornikse, vanaf 23 augustus. Doornik had in 1545 al een volledig georganiseerde gemeente, met een vaste predikant. De Beeldenstorm aldaar geschiedde in aanwezigheid van predikanten. Vanaf 24 augustus waren de dorpen in de omgeving aan de beurt.

Kasselrij Dowaai. Vele Doornikse stormers gingen vervolgens in zuidelijke richting: de abdij van Marchiennes werd op 26 augustus gestormd, daarna werden zij echter aangevallen en verslagen.

Henegouwen ontsnapte aan de Beeldenstorm, behalve Valenciennes (24 augustus) en Edingen plus omgeving.

Cateau-Cambrésis, in het Kamerijkse, (een Spaans protectoraat, afhankelijk van de gouverneur van Henegouwen) was de meest zuidelijk gelegen stad van de Nederlanden waar gestormd werd. In Edingen werd op 27 augustus gestormd; waarschijnlijk hadden rijke calvinistische kooplieden de leiding over de Beeldenstorm.

Kasselrijen Oudenaarde en Aalst; de Schelde was de grens tussen deze twee kasselrijen. Vanaf 18 augustus waren stormers al actief bij Oudenaarde en vanaf 23 augustus in Oudenaarde zelf. Slechts zeven dorpen werden gespaard: daar woonden geen hervormingsgezinden. In het land van Aalst werd op 28 augustus een einde gemaakt aan de Beeldenstorm.

Mechelen vanaf 23 augustus; buiten de stad waren kloosters het slachtoffer.

De Kempen: vanaf 23 augustus was Turnhout en haar omgeving aan de beurt.

Breda: op 22 augustus begon de Beeldenstorm in de stad, en die duurde 48 uur. Het aantal stormers zou slechts 20 zijn of iets meer, maar wel goed georganiseerd.

Den Bosch werd gestormd op 22 en 23 augustus. Op 24 en 25 augustus waren kloosters buiten de stad het slachtoffer. Wekenlang werd elke uitoefening van de katholieke erediensten in de St. Janskathedraal verboden en gestaakt.

Eindhoven: datum van de Beeldenstorm is onbekend; waarschijnlijk enkele dagen na Den Bosch. De drossaard Adam van Haren, die lid was van het Verbond der Edelen, was een passieve toeschouwer in Eindhoven.

Helmond. De Beeldenstorm in Helmond vond plaats na die in Den Bosch; de zuivering werd beraamd in het huis van iemand die lid was van een magistratenfamilie. Door optreden van de heer van Helmond, Jan van Cortenbach, werden de stormers verjaagd.

Axel en Hulst. De Beeldenstorm vond plaats volgend een voorop gezet plan en werd te Antwerpen beraamd. Op 25 augustus werd in Axel de parochiekerk en het klooster gestormd. Daarna was de omgeving aan de beurt, vooral de Cisterciënserinnenabdij van Terhagen. Op 26 augustus trok de troep naar Hulst. Namen aan de Beeldenstorm in Axel vier personen uit de hoogste klasse deel, in Hulst was vooral de middenstand mede actief.

Walcheren.
Middelburg: op 21 augustus werd alleen de St. Maartenkerk gestormd; 22 augustus de abdij, kerken en kloosters. Daarna was Arnemuiden aan de beurt.
Vlissingen kort na 22 augustus. In veel plaatsen werd gestormd, doch in Veere had men effectieve voorzorgsmaatregelen genomen.

Derde fase: ten noorden van de grote rivieren.
Hier geschiedde de Beeldenstorm op verschillende plaatsen onder leiding van edellieden, overheidspersonen, en zelfs door uitgetreden geestelijken.

Brielle, vanaf 25 augustus, met volledige steun van de magistratuur. Kloosters werden gestormd, de twee grote kerken niet: kennelijk tijdig goed gesloten (of bewust gespaard?). Rond 1 november werd de Maerlantse kerk alsnog ‘netjes’ gestormd, zodat de calvinisten er hun diensten konden houden.

Te Heenvliet werden op 26 augustus de beelden in de kerk gebroken en rond 1 november ook de altaren.

Delft, waar in juni 1566 Albrecht van der Houff, een uitgetreden pastoor, al in een kerk en in een klooster de nieuwe leer wilde verkondigden, doch dit werd hem verboden. Op 24 augustus trachtten de stormers in Delft de kerken binnen te dringen, wat echter verhinderd werd. Op de 25e lukte dit wel, maar al vrij vlot werden ze verjaagd. Op 5 oktober werd gestormd in de kerk en het klooster van de minderbroeders. Resultaat was, dat de hervormden hier nu wel een plek kregen om hun preken te houden.

Den Haag, van 25 augustus. Evenals in Gent, beweerden een aantal dat ze een lastbrief hadden om de kerken te stormen; het Hof van Holland accepteerde de bluf en stelde zelfs een twaalftal bezoldigde mannen beschikbaar! Uit verschillende klassen kwamen de deelnemers. Te Voorburg en Wassenaar was er de deelname van edelen.

Leiden, op 23 augustus brachten geestelijken de mooiste kerksieraden in veiligheid. Op 25 augustus slaagde men er in beeldenstormers uit de Sint-Pieterskerk te verdrijven. De nacht er op volgend slaagde een groep er in de marmeren beelden van de twaalf apostelen te vernielen. Op 26 augustus werd er gestormd in de O.L.-Vrouwkerk, de Sint-Pancratiuskerk en het kapittelhuis. Aan het eind van de middag waren de beelden vernield in alle kerken en godshuizen. Het klooster buiten de stad werd het zwaarst geteisterd. Achter de schermen waren een drietal leden van de lagere adel flink actief. In Leiden is diefstal veelvuldig voorgekomen.

Amsterdam; op 23 augustus werden de kostbaarste goederen op last van de magistraat in veiligheid gebracht, doch ambachtslieden, die hun gildenkostbaarheden door de straten zagen gaan, brachten dit terug naar de kerken. Tijdens een doopdienst ontstond ’s avonds herrie in de Oude Kerk, en begon daar de Beeldenstorm. Door optreden bleef de Nieuwe Kerk gespaard, evenals de kapellen en de kloosters. Eind september werd opnieuw gestormd in Amsterdam, en hoewel de Nieuwe kerk opnieuw gespaard bleef, was het in het klooster van de minderbroeders wel goed raak. De volgende dag trof het klooster van de Kartuizers hetzelfde lot.

Vianen: Brederode had alle beelden en schilderijen uit de kerken op zijn kasteel in veiligheid laten brengen; hij bracht ze niet terug, maar hij duldde wel dat er in de kerken op de nieuwe wijze werd gepredikt, hoewel dit officieel niet was toegestaan.

Asperen: op 8 oktober werd, terwijl Willem van Zuylen van Nijevelt, drost van Culemborg, met zijn mannen de wacht hield, in de parochiekerk en het klooster beelden vernield.

Utrecht; hier woedde de Beeldenstorm op 24, 25 en 26 augustus. In de stad was hervormde prediking verboden, daarom werd er net buiten de stadspoort gepredikt. Op 24 augustus predikte ‘Schele Gerrit’, een uitgetreden monnik, opnieuw buiten de Tolsteegpoort. Na afloop begaf een aantal toehoorders zich naar de Sint-Geertenkerk, en sloeg enkele beelden stuk, altaren werden neergehaald, maar het werd geen totale verwoesting.
De 25e werd, ondanks overleg met het stadsbestuur, de Beeldenstorm vervolgd: de Buurkerk kreeg het wel zwaar te verduren, evenals de Sint-Jacobskerk en de kerken van de minderbroeders en de dominicanen. In de kloosters werden de boeken verbrand van de bibliotheek.
Op 26 augustus waren er weer samenscholingen en werd de Sint-Nicolaas- en de Sint-Geertenkerk aangevallen. Toen leden van de magistraat zich naar de ingenomen kerken begaven, slaagden zij er in deze Beeldenstorm in Utrecht te beëindigen.
Op 27 augustus sloot de magistraat het befaamde akkoord, waarbij de Sint-Jacobskerk aan de hervormden werd afgestaan.

Gelderland. Stadhouder Karel van Brimieu, graaf van Megen, kon, met medewerking van de katholieke stadsmagistraten, de hagepreken verhinderen in zijn gouvernement. In de voornaamste steden: Arnhem, Nijmegen en Zutfen had geen Beeldenstorm plaats. In Elburg en Harderwijk ging het er wel hevig aan toe, terwijl de vernielingsacties in Roermond en Venlo op betrekkelijk bescheiden schaal werden uitgevoerd.

Culemborg; aldaar konden protestanten vrijelijk naar de diensten op het kasteel gaan, en toen hun aantal groeide, konden ze terecht in de gasthuiskerk. Op 7 september werd er in Nieuwstad (gelegen vlak tegen Culemborg) ontdekt dat er in de Sint-Annakapel beelden gebroken waren. De volgende dag liet Floris van Pallant, graaf van Culemborg, een edict afkondigen, dat iedereen verbood in stad en graafschap Culemborg vernielingen aan te brengen aan kerkelijke goederen; bovendien moest iedereen losstaande beelden binnenhalen om verdere moeilijkheden te voorkomen. Op 14 september nam graaf Floris actief deel aan de Beeldenstorm in de hoofdkerk (de Sint-Barbarakerk) van zijn graafschap Culemborg! Daarna waren aldaar de Sint-Janskerk, de gestichtkapellen, het klooster van Jeruzalem en het nieuwe weeshuis aan de beurt. Vervolgens geschiedde hetzelfde met de dorpskerken in de omgeving: Zijderveld, Everdingen, Honswijk). Van de beeldenstormers in Culemborg zijn 34 met naam bekend: drie welgestelden, vijf gegoeden, negen zelfstandigen, acht eenvoudigen en negen die geen eigen broodwinning hadden of buiten de gewone bevolking stonden.

Batenburg werd gestormd door de weduwe van Herman van Bronkhorst en een van haar zoons, met gewapende geleide. Zij trokken ook naar Borgharen en Horsen.

Elburg werd gestormd op 21 september, met medewerking van de magistraat. De Grote of Sint-Nicolaaskerk werd gezuiverd, alsmede het Sint-Agnieten- of Begijnhofklooster, plus nog een derde kerkje. De groep werd in Doornspijk door de bevolking daartoe verhinderd.

De groep trad dezelfde dag ook op in Harderwijk in de Minderbroederkerk. Tevens werden in de Grote Kerk in Harderwijk fikse vernielingen aangebracht. Ze werden onderbroken door de gildemeesters, die er op aandrongen dat zij hun eigen beelden mochten verwijderen. Toen dit was gebeurd werd de Beeldenstorm in de Grote Kerk op de avond van de 25e of 26e september voortgezet.

In Roermond werd eind september de Sint-Christoffelkerk gestormd. Voortaan werden daarna daar de predikaties gehouden.

In Venlo begon op 5 oktober de Beeldenstorm in het klooster ‘Trans Cedron’; daarna overkwam hetzelfde met de Sint-Nicolaaskerk en de parochiekerk van Sint-Martinus. Na de Beeldenstorm hielden de hervormden hun diensten in de kerk van het klooster ‘Trans Cedron’.

Limburg. Pas eind september en begin november werden in Maastricht beeldenstormen gehouden.
Al op 18 augustus waren bij Maastricht de eerste hagepreken gehouden. Waarschijnlijk werd er gestormd omdat de magistraat weigerde ruimte voor de hervormden beschikbaar te stellen. Op 29 september werd de Sint-Matthiaskerk gestormd, op 3 november de Maria-ad-littuskerk.

Overijssel. Woelingen waren er wel, maar geen Beeldenstorm. In Deventer mochten de hervormden in de loop van september gebruik maken van de O.-L.-Vrouwkerk, mits de kerk ongeschonden zou blijven en de katholieken er ook hun diensten zouden kunnen houden.
In Kampen en Zwolle kregen de protestanten geen medewerking.

Friesland. Hier was nauwelijks sprake van een Beeldenstorm. In Leeuwarden geschiedde de overgang naar het protestantisme zonder vernielingen en onlusten: op 3 september stemden magistraat en hoofd van de schutterij erin toe dat predikanten vanaf 8 september in de grootste kerk, de Oldehove, zouden mogen preken.

In Groningen werden kerken zowel op gewelddadige als op vreedzame wijze ‘gezuiverd’. Op 14 september nam de lage adel deel aan de Beeldenstorm in de kerk van de dominicanen in Groningen. Drie dagen later stelde de magistraat de Broerkerk open voor de hervormden: beelden werden verwijderd, altaren en orgel werden bedekt. Op 19 september werd er toch gestormd. Op drie plaatsen werden de kerken ‘gezuiverd’ door geestelijken: Bedum, Loppersum en Obergum. Verder werd gestormd in Garrelsweer, Garsthuizen, Oosternieland en Grijpskerk. In Middelstum werd de Beeldenstorm verhinderd. In Saxum zouden ook beelden zijn vernield.

De Beeldenstorm een spontane beweging?
In de 16e eeuw zou de Beeldenstorm door de kracht Gods ten uitvoer zijn gebracht, volgens o.a. Filips Marnix van Aldegonde.
In de 17e eeuw schreven J.F.le Petit en E. van Meteren de gebeurtenis toe aan een woeste volkshoop, die zonder plan, regelmaat en aanvoerders te werk zou zijn gegaan.
In de 19e eeuw meende W.J.F. Nuyens, dat de Beeldenstorm volgens een vast plan verliep, beraamd en bewerkstelligd door de consistoriën onder begunstiging en deels onder medewerking van het anti-katholieke deel van het Verbond der edelen.
In de 16e eeuw waren verscheidene katholieke geschiedschrijvers en memorialisten de mening toegedaan dat de Beeldenstorm bewust in Sint-Truiden was voorbereid: op hun vergadering op Luiks grondgebied besloten de edelen de katholieken schrik aan te jagen.
In 1615 was Franciscus Dusseldorpius dezelfde mening toegedaan.
In ieder geval is er door sommigen op die vergadering wel over gesproken, en waren later onder de stormers edelen, die er in Sint-Truiden bij waren geweest.
Hier en daar lijkt er lokaal wel sprake van planning en organisatie te zijn geweest.
Op vele plaatsen werd beweerd dat men een lastbrief had van het Hof of van de graaf van Egmont.
In verscheidene plaatsen werden stormers geronseld en betaald.

De Beeldenstorm een sociale revolutie?
Sommige historici, zegt de schrijver, zien in de Beeldenstorm slechts een maatschappelijke opstand, veroorzaakt door de ellende van een hongerig lompenproletariaat.
E. Brünner was de eerste, die een oorzakelijk verband legde tussen de graanschaarste in 1565 en de Beeldenstorm in 1566; hij vond niet de religie maar de schaarste de oorzaak van de Beeldenstorm. Doch grafieken wijzen uit dat de prijsstijgingen in de 16e eeuw in een tiental gevallen erger uitvielen.

E. Kuttner betoogt in zijn boek ‘Het Hongerjaar 1566’, dat de Beeldenstorm een afleidingsmanoeuvre was om de armen niet de bezittingen van de rijken af te laten nemen, en dat het een gezamenlijk katholiek/protestant verbond was om dan maar de kerkelijke goederen hiervoor prijs te geven: dus een sociale revolutie. Doch Kuttner bezondigde zich wel aan een zeer selectieve selectie van de beschikbare bronnen.
Half juni en 3 juli 1566 liet de regentes bevelen uitgaan, die aan hagepreken een einde moesten maken, en er werd de doodstraf uitgevaardigd tegen de predikanten. Maar deze acties hadden geen enkel resultaat. De regentes begreep wel dat er naast de religieuze onrust ook armoede onder het volk was, wat tot oproer kon leiden: zij vreesde en godsdienstige en sociale onlusten. In de tweede helft van juli werd zij al gewaarschuwd voor de op handen zijnde Beeldenstorm, die inderdaad een paar weken later in Steenvoorde een aanvang nam.

De Beeldenstorm een godsdienstige beweging?
In 1545 verscheen in Gent de ‘Corte instruccye bij meester C. van der Heyden, priester’; deze is niet onvoorwaardelijk tegen beelden, maar wel tegen misbruik er van.
In 1554 verscheen ‘Der Leken Wechwyser’, van de uitgetreden pastoor Jan Gerritsz. Verstege, later Anastasius Veluanus genoemd. Hij brandmerkte de aanroeping van engelen en beelden als afgoderij.
Duidelijk is dat al in de eerste fase van de Beeldenstorm de rol van predikanten erg groot was. Een aantal was eerder uitgeweken naar Engeland, maar kwam in 1566 terug; er is een duidelijk verband tussen de protestantisering (hagepreken) en de Beeldenstorm in de Zuidelijke Nederlanden.
Deelnemers aan de Beeldenstorm kwamen voor een groot deel uit het ‘lompenproletariaat’, maar regelmatig wordt ook melding gemaakt van middenstanders, en zelfs van adellijke personen en magistraten.
Dat godsdienstige redenen belangrijk waren, blijkt ook uit het feit dat in de meeste gevallen kostbaarheden niet gestolen werden, maar alleen vernield. Ook als er geld werd aangeboden om de vernielingen te verhinderen, koos men toch voor de vernielingen.

Besluit.
Hagepreken werden bevorderd door het niet toepassen van de plakkaten.
De sociaal-economische toestand heeft mede een gunstig klimaat geschapen voor een oproerige beweging, waaraan alle klassen van de samenleving deelnamen, en we dus niet kunnen spreken van een klassenstrijd.
Het stormen geschiedde soms door in het wilde weg rondtrekkende groepen, maar soms ook door planning en zelfs ordelijk door de overheid.
Er werd geplunderd, maar plundering werd ook verhinderd of voorkomen.
Aanstokers en gangmakers waren niet overal mensen van dezelfde rang en stand.
Het karakter van de Beeldenstorm werd niet bepaald door de uitvoerders, maar door de aanstokers, gangmakers en leiders.
Eerste doel was de kerken te zuiveren van de afgodsbeelden, en de kerken geschikt te maken voor de uitoefening van de hervormde godsdienst.
Om de Beeldenstorm te doen ophouden, sloot de regentes het Akkoord van 23 augustus, dat predikaties toeliet buiten de steden, en dan alleen op die plaatsen waar tot dan toe gepredikt werd. Een aantal stadhouders, zoals Oranje en Egmont, lieten meer toe.
De zending van Alva was een tactische fout: bij zijn komst hadden de hagepreken reeds opgehouden en was de rust zo goed als hersteld.
In Noord-Nederland werd in 1572, in 1580 en later nog heviger gestormd dan in 1566.
De Beeldenstorm was in de eerste plaats een godsdienstig fenomeen. De gezagscrisis en de ongunstige economisch-sociale toestand waren medeoorzaken.
De Beeldenstorm vond hoofdzakelijk plaats waar de hervormde godsdienst de meeste aanhangers telde, op die plaatsen waar hagepreken op grote schaal gehouden waren of waar de inwoners de hagepreken bijgewoond hadden.

 

Een zegenrijk gewest.

Nieuw-Nederland in de zeventiende eeuw.

Jaap Jacobs.




Inleiding.
In Noord-Amerika zaten de Nederlanders tussen de Engelsen in Virginia en Massachusetts in.
De eerste geschiedschrijver van Nieuw-Nederland is N.C. Lambrechtsen van Ritthem, die zijn boekje over dit onderwerp in 1818 deed verschijnen.
D. Buddingh publiceerde in 1852 en O. van Rees in 1855. Eind 19e eeuw volgden meer studies over onderwerpen als de familie van Rensselaer, de kerkgeschiedenis, over de stichting van Nieuw-Nederland, de relatie met de indianen, de slavenhandel.
In Amerika hadden de historici te maken met het taalprobleem betreffende het 17e -eeuwse Nederlands. De eerste betrouwbare geschiedenis van Nieuw-Nederland was van O’Callaghan: “History of New Netherland”. (v.a.1846). Hij werd in zijn functie als archivaris van de New York State Library opgevolgd door B. Fernow.
In 1899 kwam A.J.F. van Laer als archivaris naar New York: hij had veel kritiek op de vertalingen van zijn voorgangers. Toen hij met zijn werk stopte in 1939 duurde het tot 1974 voordat het vertaalwerk werd hervat.
Maar het beeld van de Amerikanen bleef, ondanks de goede vertalingen, hetzelfde: de Nederlandse kolonie werd gezien als een mislukking te midden van Engels succes.
Pas eind jaren 60 van de 20e eeuw begon het beeld te kantelen, maar de taal blijft een struikelblok om de archieven te bestuderen.

Wat heeft een gewezen kolonie overgenomen van zijn Europese starters?
Dit wordt cultuurtransplantatie genoemd. De theorieën hebben vaak de neiging tot ‘hinein interpretieren’: je werkt naar een bepaalde uitkomst toe. Schrijver stelt zich de vraag: wat waren de overeenkomsten tussen de cultuur van Nieuw-Nederland en de cultuur van de Republiek. En: hoe Nederlands bleef de cultuur van de kolonie Nieuw-Nederland? Hij legt hierbij de nadruk op het gemeenschappelijke karakter van de cultuur. In zeven hoofdstukken wil hij dit onderwerp gaan belichten.

1. “ Een seegenrijck gewest, daer melck en honigh vloeyd.”
In 1655 publiceerde Adriaen van der Donck zijn “Beschryvinge van Nieuw-Nederlant”. Deze naam was aan de kolonie gegeven vanwege de vele gelijkenissen met het moederland, maar belangrijker was het feit dat de Nederlanders de eersten waren die het gebied bezochten en bevolkten.

 
'Beschryvinge van Nieuw-Nederlant' van Van der Donck

Er waren twee grote rivieren: de Delaware (Zuydtrivier) en de Noordrivier (Hudsonrivier). Een verschil met de Republiek was, dat er een landklimaat heerste: koudere winters en warmere zomers, vooral noordelijker van Manhattan. Er was een overvloed aan bos en veel vruchtbare grond.
Van de dieren was de bever favoriet, vanwege zijn bont, maar ook de wasberen, nertsen en wilde katten, otters en vossen.
Van der Donck besteedde veel aandacht aan de Indianen. De Nederlanders noemden de Indianen ‘wilden’. Aan de stam van de Mohawks werd de meeste aandacht besteed; zij bewoonden het gebied ten westen van Fort Orange. Aan de oostoever van de Noordrivier ter hoogte van Fort Orange woonden de Mahicans, door de Nederlanders als ‘Mahikanders’ aangeduid. In de omgeving waren er nog meer, vaak kleinere stammen.
Van der Donck beklaagde zich er over dat de Indianen zich nooit wasten.
Omdat ze geen weerstand hadden tegen o.a. mazelen en griep, schatte Van der Donck in 1655 dat er nog maar 10% van de Indianen over was, waarschijnlijk een juiste schatting. Als kleding droegen de mannelijke Indianen in de zomer slechts een ‘clootlap’ (schaamlap), en in de winter dierenvellen en schoenen van hertenleer, wat door het contact met de Europeanen regelmatig veranderde in duffels en laken, kousen en schoenen.
De Indianen leefden van de jacht, de visserij en de landbouw. De mannen waren vaak dagenlang ter jacht, terwijl de vrouwen het land bewerkten.
Hun voornaamste gewas was mais; verder aten ze veel bonen en vers vlees.

 
Indianendorp met palissaden.

De Indianen omringden hun dorp met palissades. De stam der Irokezen woonden in ‘longhouses’. Ieder dorp was autonoom. De leiders waren ‘de oudsten, verstandigsten, meest welsprekende en strijdvaardigste mannen’.
Bij onderhandelingen met de Nederlanders werd bij elk nieuw onderwerp door hen geschenken aangeboden: de Nederlanders spiegelden dit gedrag. Het tolken ging redelijk zolang het ‘handelspraat’ was.
De leefwijze van de ‘wilden’ bracht ‘verbazing en afschuw’ bij de Nederlanders, maar soms ook bewondering, zoals bij de indianenvrouwen, die al zeer snel na de geboorte van een kind weer aan de slag gingen.
In 1609 werd Henry Hudson door de VOC uitgezonden om de noordoostelijke doorvaart te verkennen. Met de ‘Halve Maen’ voer hij voorbij de Noordkaap om daarna de steven te wenden richting Noord-Amerika.

 
Henry Hudson


De reis van Hudson met de "Halve Maen'

Na langs de Delaware (Zuidrivier) te zijn gevaren, kwam hij 2 september 1609 aan bij de Noordrivier, die later naar hem vernoemd zou worden. Hij voer tot ca. het huidige Albany, waar de rivier te ondiep werd voor zijn schip.
In Dartmouth, Engeland, weer aangekomen werd hij aangehouden, want een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent was aan twee Engelse handelscompagnieën toegekend. De Halve Maen werd aan de VOC overgedragen.
Hudson bleef in Engeland en maakte in 1610 een tocht om de noordwest doorvaart te zoeken: er ontstond muiterij, waarbij hij met zijn zoon en een aantal anderen in een sloep werd gezet, waarna men niets meer van hem heeft vernomen.

 
Hudsons laatste reis

Over de daarop volgende reizen naar het gebied, dat spoedig Nieuw-Nederland zou heten, is weinig bekend.
Waarschijnlijk voeren al vanaf 1610 meerdere schepen naar de Noord-rivier en in de jaren er op zaten de Nederlandse schippers elkaar regelmatig in de haren om het beste handelsresultaat te bereiken. Een oplossing was om steeds een goede verdeelsleutel te vinden voor de verkregen waar, wat niet steeds lukte.
In 1614 was men het geharrewar zat, omdat er soms wel vier compagnieën actief waren, waarna de Nieuw-Nederlandse Compagnie werd opgericht.
Vanaf 1 januari 1615 kreeg men een octrooi voor vier reizen in drie jaar tijd, en dit gold voor de kuststreek tussen de 40º en 45º  NB, waardoor de Zuid-rivier buiten het octrooi viel(!)

 
De 'bandbreedte' van het octrooi van 1615.

In 1618 werd het octrooi niet verlengd, waarschijnlijk vanwege sluimerende plannen in de Republiek voor het oprichten van een WIC. Vanaf 1618 stond de handel dus weer open voor iedereen.
Willem Usselincx was de stimulator achter de oprichting van de WIC.


Willem Usselincx

 
Geoctroyeerde Westindische Compagnie

Om de Spanjaarden niet te provoceren had men de oprichting van de WIC uitgesteld totdat het Twaalfjarig Bestand was afgelopen: bijna onmiddellijk daarna werd het octrooi door de Staten-Generaal uitgevaardigd.
Voor de WIC was kolonisatie niet ’t belangrijkste doel, maar wel kaapvaart en handel.
Het centrale bestuur bestond uit de Heeren XIX. Dit bestuur was verdeeld in: Amsterdam met 8 stemmen, Zeeland 4, Maze 2, Noorderkwartier 2, Stad en Lande 2, plus was er nog één stem gereserveerd voor de Staten-Generaal.
Het vergaren van zeven miljoen gulden voor het startkapitaal nam twee jaar in beslag: wel wat anders dan bij het opstarten van de VOC.
Op 3 november 1623 besloten de Heeren XIX om een kleine handelskolonie te stichten. De Engelse ambassadeur protesteerde vanwege een Engelse claim op het gebied, maar de WIC vond dat je pas kon claimen als ’t gebied door tenminste 50 kolonisten werd bevolkt.
De beginfase is door gebrek aan gegevens onzeker. Waarschijnlijk vertrok een kleine voorhoede in januari 1624 met de Eendracht o.l.v. schipper Adriaen Jorisz. Thienpont: het aantal kolonisten zal niet meer dan enkele tientallen zijn geweest.
Ze werden vermoedelijk verdeeld over vier locaties:
1. Nooten Eylandt (Governors Island) bij Manhattan
2. bovenloop van de Noord-Rivier. (Hudson River)
3. Verse Rivier (Connecticut River)
4. Zuid-Rivier (Delaware River)

 
De WIC-locaties

In maart 1624 vertrok de ‘Nieu Nederlandt’ o.l.v. schipper Cornelis Jacobsz. May met 30 Waalse families.
Vanaf eind 1624 werden diverse schepen gestuurd met kolonisten, maar ook met paarden en koeien. Directeur van de kolonie werd Willem Verhulst.
T.a.v. het beleid waren er twee facties:
-  de kolonisatiefactie, die een landbouwkolonie als doel zagen
-  de handelsfactie, die een kleine kolonie wilden om de handelsbelangen te beschermen.
De eerste factie won die strijd. Maar toch werd in 1625 besloten de nadruk te leggen op de handel, en daartoe de kolonisten samen te brengen en te concentreren op één nederzetting, wat de zuidpunt van het eiland Manhattan  werd.
In 1626 werd Verhulst vervangen door Pieter Minuit, die, waarschijnlijk in de loop van 1626 het eiland Manhattan kocht van de Indianen voor 60 gulden.

 
Peter Minuit


Verkoopakte van Manhattan


De overdracht van Manhattan

De eerste jaren ging het de Nederlanders vooral om de handel in bont.

2. “De populeringe van soo woeste ende ongehavende landen.”
De schepen vertrokken meestal in april of mei vanuit Amsterdam voor een reis van twee à drie maanden.
De Republiek liep niet ‘leeg’ richting Nieuw-Nederland:
- meer dan voldoende werk in de Republiek
- relatief goede armenzorg
- religie-tolerantie
- geen oorlog in het westen van het land.
Toch groeide Nieuw-Nederland langzaam uit tot een kolonie met ca. 7500 kolonisten.
De grootste aanwas zat in de laatste vijftien jaar, toen de economische groei in de Republiek afnam. In 1664 telde Nieuw-Amsterdam ca. 2500 inwoners, en de andere stad Beverwijck (het latere Albany) ca. 1000. Verder waren er nog bijna 20 dorpen met ieder tussen de 125 en 200 inwoners.
De migranten zijn in een aantal groepen te verdelen:
- WIC-dienaren (militairen, zeevarenden, hogere functionarissen)
- kooplieden (zelfstandig of agent van een handelshuis)
- boeren en handwerkslieden (als zelfstandigen)
- contractarbeiders

Daarnaast nog speciale groepen, zoals:
- weeskinderen
- Walen als volgelingen van Plockhoy en De Labadie, op religieuze gronden
Van de soldaten van de lagere rangen kwamen velen uit de Duitse staten en waren vaak door ‘zielverkopers’ aan de WIC geleverd. Van alle soldaten van de WIC was een derde afkomstig uit de Republiek en van de buitenlanders kwam het merendeel uit Duitsland en verder uit Scandinavië, Frankrijk en Engeland.
Toen Nieuw-Amsterdam veroverd werd, waren er in de stad 180 soldaten. In geheel Nieuw-Nederland ca.275.
Sommige zeevarenden bleven een bepaalde tijd aan land en deden dan meestal het werk dat ze op de schepen al deden, zoals de timmerman, de kuiper, de chirurgijn, etc.; het waren zowel opvarenden van WIC-schepen als van particuliere bodems.
In een lijst van 1650 werden de compagniesdienaren genoemd: directeur, vicedirecteur, fiscaal, raadslid, secretaris, drie commiezen, een supercargo (over de lading), barbier, werkbaas, gerechtsbode, een opzichter over de slaven, vroedvrouw, een voorlezer die ook als schoolmeester optrad, twee predikanten. Daarnaast waren er nog klerken, chirurgijns, commiezen van de cargasoenen (handelsgoederen), vivres of winkel, ontvangers van de recognitie (belasting), de equipagemeesters, plus nog diverse handwerkslieden. De lagere functionarissen deden de uitvoerende taken, de hogere de administratieve.
Hogere functionarissen bleven langer in dienst van de WIC dan de lagere.
Tussen 1638 en 1640 gaf de WIC geleidelijk delen van haar monopolie op, allereerst de bonthandel; nu waren particuliere handelaren welkom.
Er waren de kleine of ‘schotse’ kooplieden, die meestal maar kort in de kolonie verbleven, en de grote kooplieden, die verbonden waren aan handelshuizen, die veel langer in Nieuw-Nederland bleven. De laatsten ontwikkelden zich soms tot zelfstandige grootondernemers, een groep die de kern vormde van de burgemeesters en schepenen van Nieuw-Amsterdam.
Om de ‘schotse’ kooplieden kwijt te geraken kwam er in het kleinburgerschap een bepaling, dat bij een afwezigheid van vier maanden dit burgerschap verviel.
Een deel van de kolonisten was min of meer toevallig in Nieuw-Nederland terechtgekomen, en deels gingen ze ook weer terug naar de Republiek.
Bij de boeren lag dat iets anders: zij kwamen bewust om de landbouw te bedrijven, en zoals de kleine kooplieden waren ze zelfstandig en niet in dienst van de WIC of een privépersoon. In de archieven is deze groep van boeren daarom nauwelijks te traceren.
Sommigen vestigden zich op Manhattan op een ‘bouwerij’, zoals Jonas Bronck, waar later de Bronx naar genoemd werd.
In tegenstelling tot alle andere migranten kwam de landbouwer voor een groot deel uit het oosten van de Republiek: Drente, Gelderland, Overijssel.
De contractarbeiders hadden in de Republiek een arbeidscontract afgesloten. Bijna 80% van hen was man en grotendeels boerenknecht. Van de vrouwen en meisjes ging het grootste gedeelte als dienstmeid naar Nieuw-Nederland. De duur van de contracten was gemiddeld vier jaar.

In Amsterdam wilde men bezuinigen op de kosten van de aalmoezeniers door vondelingen en wezen van armen die waren ondergebracht bij ‘hou-moeders’ te bekijken op bekwaamheid en bereidwilligheid om als migrant naar Nieuw-Nederland te vertrekken. Uiteindelijk gingen in 1654 enkele tientallen kinderen over de oceaan. In 1655 en 1659 volgden meer kleine groepjes. In totaal zijn er hooguit 100 weeskinderen in de kolonie terecht gekomen.

Van de Waalse families die in 1624 arriveerden wordt vermoed dat zij kwamen vanwege religieuze redenen. Hetzelfde geldt voor de families uit Leiden en Engeland die zich in 1620 al aanmeldden als kolonisten; mogelijk was dat de groep die later als Pelgrim Fathers naar New England ging. Pas in 1662 stak het religieuze motief weer de kop op met een pamflet van Pieter Cornelisz. Plockhoy. Hij vertrok in 1663 met enkele tientallen kolonisten naar de Zuidrivier om een kleine kolonie te stichten. Toen de Engelsen Nieuw-Nederland veroverden werd hun kolonie verwoest en de bewoners als slaven verkocht en naar Virginia overgebracht. Een marginaal verschijnsel was een kleine groep van de Labadisten, die zich tegen 1670 (Engelse periode) in Maryland vestigden.
Er kan gesteld worden dat een groot deel van de kolonisten via een netwerk van familie en bekenden uiteindelijk in Nieuw-Nederland terechtkwam.

3. “Het exerceren van justitie ende politie.”
In de eerste jaren van Nieuw-Nederland was er geen noodzaak tot het opzetten van aparte instellingen voor bestuur en rechtspraak: het gezag van de schipper bleef op het land gehandhaafd. Met de oprichting van de WIC kwam hierin verandering. De hoogste functionarissen moesten trouw zweren aan de WIC, maar ook aan de Staten-Generaal.
Binnen de Kamer Amsterdam was er een commissie van enkele bewindhebbers die de correspondentie met Nieuw-Nederland onderhielden. In de kolonie zelf was het college van directeur-generaal en raden, zoals het na 1647 genoemd werd, de belangrijkste instantie.
Voor de belangrijkste man in de kolonie golden verschillende benamingen; in volgorde in de tijd waren dit:
- commandeur (is lager dan directeur)
- directeur
- directeur-generaal (vanaf Peter Stuyvesant)
- soms gouverneur genoemd.
Alleen in belangrijkere koloniën zien we de functie van gouverneur-generaal, zoals in Brazilië en Indië.
In een volgende fase gaat de WIC de macht delen met patroonschappen zoals bij De Rensselaers.
Als de kolonie verder uitgroeit ontstaan lokale besturen.
Willem Verhulst werd in 1625 als commies naar Nieuw-Nederland gestuurd. Als directeur maakte hij deel uit van een Raad met nog twee WIC-dienaren en twee kolonisten; deze Raad werd later tot negen personen uitgebreid.
Daarnaast maakten de aanwezige schippers deel uit van de Raad. De Compagnie hield wel steeds de meerderheid in deze kring. De bewindhebbers in patria wilden tot in detail op de hoogte gehouden worden.
De bewindhebbers eisten, zeker in de aanvang, dat de directeur goede contacten onderhield met de indianen.
De rechtspraak in de kolonie was in de vroege periode in handen van Directeur en Raden. Het was een mengvorm van scheepsrecht, door de aanwezige schippers in de Raad, en ’t landrecht van de Republiek. Voor wat ernstiger zaken moest de verdachte terug worden gestuurd naar de Republiek om daar berecht te worden. Binnen ’t bestuurlijk apparaat waren er vanaf het begin de secretaris en de fiscaal (openbaar aanklager en uitvoerder van de eventuele straf). Rond 1655 werd de fiscaal ook schout.
Verhulst werd al snel door de Raad afgezet, maar ook zijn opvolger Minuit werd in 1632 teruggeroepen. De nieuwe man Wouter van Twiller werd door velen ook al incompetent bevonden, bovendien was hij een stevige drinker.

De tweespalt in de WIC gaf problemen:
- de handelsfactie wilde weinig investeren in de nieuwe kolonie en feitelijk alleen handeldrijven dankzij het monopolie; bij verovering door de Engelsen zou de schade dan meevallen.
- de koloniefactie dacht meer aan de langere termijn: wel veel kolonisten, zodat men op den duur het graan voor de Republiek niet meer uit de Oostzeelanden en het hout uit Scandinavië hoefde te halen. Het bontmonopolie moest dan opgeheven worden om meer kolonisten trekken.
In 1629 kwam er een plan om middels ‘patroonschappen’ de kolonie verder te ontwikkelen: een participant moest dan binnen vier jaar een kolonie stichten van tenminste 50 personen ouder dan vijftien jaar. Een kwart moest binnen een jaar aanwezig zijn. De WIC behield ’t eiland Manhattan als stapelmarkt voor zich zelf. Het patroonschap mocht zich vier mijlen langs de kust uitstrekken of twee mijlen aan weerszijden en het mocht zo diep worden als men wilde. De patroons waren verplicht het land van de indianen te kopen, en kregen volledige jurisdictie in hun gebied; het gebied werd een onsterfelijke erfleen, te vergelijken met de middeleeuwse  situatie van leenheer (WIC) en de leenman (de patroon). De kolonisten van de patroon kregen gedurende tien jaar belastingvrijdom. De WIC nam de plicht op zich de kolonisten te beschermen tegen alle binnen- en buitenlandse vijanden. Dit plan van de “Vryheden ende Exemptiën” (Vrijheden en Uitzonderingen) was een compromis tussen de beide facties, want de bonthandel bleef een monopolie van de WIC, maar gold alleen daar waar een WIC-commies was.
De meeste patroonschappen werden geen succes, behalve Rensselaerswijck. Ook daar werd een eigen bestuur en rechtspraak opgezet.
De handelsfactie in Amsterdam kreeg de overhand en begon de patroons dwars te zitten, vooral over de geldigheid van het bontmonopolie: over de kwestie waar en wanneer dit monopolie precies gold. Resultaat was dat de WIC een aantal patroonschappen uitkocht. In het nieuwe “Vryheden ende Exemptiën” van 1640 gaf de WIC het monopolie op de bonthandel op. Verdere wijzigingen in 1650 moesten nieuwe patroons aantrekken. Menig kleine kolonie werd door de Indianen vernietigd.
Van de tweede generatie patroonschappen (na 1640) was slechts die op het Staten Eylandt enigszins succesvol. Toen haar eigenaar overleed in 1659, nam de WIC zich voor geen nieuwe rechten meer te verlenen.

Vanaf 1648 boterde het in het geheel niet tussen de directeur van Rensselaerswijck: Brant Aertsz. van Slichtenhorst van Nijkerk en de directeur-generaal Stuyvesant in Nieuw-Amsterdam. De onmin ging over de exacte scheidslijn tussen Fort Orange en Rensselaerswijck, een conflict dat flink uit de hand liep! De WIC noemde het dorp bij Fort Orange Beverwijck en plaatste het onder haar jurisdictie.

In 1655 had een expeditie o.l.v. Stuyvesant de Zweedse kolonie aan de Zuidrivier veroverd. Een stadskolonie zou het moeten gaan verdedigen tegen de Engelsen uit Virginia en Maryland, en tegen eventueel terugkerende Zweden. De stad moest in zijn bestuursvorm gaan functioneren als Amsterdam. Het Fort Casimir zou bemand gaan worden met 60 man. Maar men kreeg te maken met veel tegenslagen: schipbreuken, gevaarlijke epidemie, strenge winters en dreiging van de Engelsen. Na toch weer enige opbloei werd de kolonie, ondanks verzet, in 1664 door de Engelsen ingenomen.

Vanaf 1640 verloor de WIC haar monopoliepositie, waardoor commerciële zaken voor haar slechts een marginale rol speelden in haar activiteiten: ze was in Nieuw-Nederland een bestuursinstantie geworden.
Door het beleid van directeur Kieft werden de conflicten met de Indianen in gang gezet, wat weer de belangen bedreigde van de groep kolonisten die zich met de bonthandel bezig hielden. Het probleem werd er niet beter op toen directeur en raden in 1639 belastingbetaling door de Indianen wilden eisen. Maar de Indianen weigerden dit.
In 1640 werd besloten de Indianen hiervoor te straffen, wat uitliep op een bloedbad. Hierop volgden verdere vijandelijkheden over en weer.

Kieft vormde in 1641 een adviescollege van twaalf familiehoofden. Opvallend is, dat dit college zich in 1642 met een petitie richtte tot de directeuren over de bestuurssituatie in Nieuw-Amsterdam met een aantal wensen:
– de Raad moest qua aantal op peil worden gehouden
- bij criminele zaken moesten tenminste vijf raadsleden aanwezig zijn
- bij de raadsvergaderingen moesten vier extra personen toegevoegd worden.
Op het laatste punt reageerde Kieft afwijzend.
Na nog een uitgebracht advies om de Indianen aan te vallen als wraak op een moord, werd de groep van Twaalf Man bedankt en ontbonden.
In 1643 gaf Kieft een aantal kolonisten en soldaten toestemming om een groep Indianen in Pavonia aan te vallen, waarbij 80 Indianen zouden omkomen. N.a.v. de blijvende vijandelijkheden werd door Kieft een college van Acht Man aangewezen om advies te geven. De groep mocht niet zelfstandig vergaderen. Intussen correspondeerden ze wel op eigen houtje met de Heeren XIX en de Staten-Generaal over de toestand. Bij een deel van de kolonisten was er onvrede over Kieft, die naar hun mening de kolonisten in onnodige oorlogen had gestort. De Acht Man schreven in 1644 opnieuw naar de bewindhebbers: ze wilden een nieuwe vorm van bestuur. De WIC wilde hier niet in mee gaan, de Staten-Generaal wel.
In 1645 werd Petrus Stuyvesant tot directeur benoemd. Pas in 1647 arriveerde hij in Nieuw-Amsterdam, waar hij eerst orde op zaken moest stellen: personen die een rol hadden gespeeld in de conflicten werden naar patria gestuurd, inclusief Kieft.
Stuyvesant had wel hulp en advies nodig, en nu kwam er een groep van negen mannen die de directeur-generaal en raden bij moest staan: de gemeentsmannen of gemeijnsluijden genaamd. Ook zij mochten niet op eigen initiatief vergaderen. De samenstelling was wel nieuw: drie kooplieden, drie burgers en drie boeren. Eén uit elke groep ging wekelijks assisteren bij civiele rechtszaken. De Negen Man wilde meer weerstand tegen de zich opdringerig gedragende Engelsen in de kolonie.
In 1649 bleek dat Van der Donck in het geheim een vertoog voor de Staten-Generaal had opgesteld.


Adriaen van der Donck 

Stuyvesant liet Van der Donck vervolgens opsluiten. Na verloop van tijd werd Van der Donck weer vrijgelaten, waarna hij met nog twee man van de Negen Man naar de Republiek reisde om de Staten-Generaal om redres (herziening) te vragen voor Nieuw-Nederland over de volgende onderwerpen:
- vraag om een grotere bevolkingsgroei van de kolonie
- een burgerlijke regering zoals in de Republiek
- oplossing voor de grensproblemen met de Engelsen.

Eén van de stukken die aan de Staten-Generaal werden voorgelegd was “Vertoogh van Nieu-Neder-land”, geschreven door Van der Donck, waarin hij de WIC er van beschuldigde het vanaf het begin verkeerd te hebben aangepakt door alleen aandacht te hebben voor eigen gewin.


Vertoogh van Nieu-Neder-Land 

In april 1650 kwam het rapport van de commissie van de Staten-Generaal; conclusie: de bevolking moest meer invloed krijgen. De Raad in Nieuw-Nederland zou moeten bestaan uit:
-directeur,
-vice-directeur,
-raadslid benoemd door de Staten-Generaal en WIC
-twee raadsleden te selecteren uit de inwoners van de kolonie.
De functie van advocaat-fiscaal werd ingesteld, die bovendien stem en zetel in de Raad kreeg als ’t niet zijn zaken betrof. De burgerlijke regering van Nieuw-Amsterdam zou bestaan uit schout, twee burgemeesters en vijf schepenen. Er zou een nieuwe versie komen van “Vryheden ende Exemptiën”. Stuyvesant zou teruggeroepen moeten worden om verantwoording af te leggen. Toen de delegatie terug was in Nieuw-Amsterdam weigerde Stuyvesant de hervormingen uit te voeren tot hij bericht van de ratificatie door de Staten-Generaal had ontvangen. De Eerste Engelse Oorlog zorgde voor vertraging, waardoor het voorstel uit 1650 nooit door de Staten-Generaal is geratificeerd.
Toch zou vanaf 1652 gestart worden met een nieuw soort bestuur: het college van Negen Man werd omgezet in een stadsbestuur naar Amsterdam model, met aparte, eigen juridische en bestuurlijke bevoegdheden. Vooral de eigen rechtbank haalde de angel uit de relatie tussen kolonisten en de WIC.
En zo kreeg Nieuw-Amsterdam in 1653 zijn stadsrechten.
Al eerder hadden dorpen in Nieuw-Nederland een kleine bank van justitie gekregen: Heemstede was de eerste in 1644, een recht dat slechts door de WIC verleend kon worden.
Voor een kleine bank van justitie waren 20 tot 25 families nodig. Voor iets ernstiger zaken moest men naar Manhattan, maar een enkele keer ging Stuyvesant zelf naar een locatie.
Bij alle benoemingen moest trouw worden gezworen aan de Staten-Generaal, de WIC en aan de directeur-generaal en raad in Nieuw-Amsterdam.
Een voortzetting van de eerdere Twaalf, Acht en Negen Man was de Landdag die op 8 maart 1649 werd gehouden met de vertegenwoordigers van de verschillende dorpen en plaatsen in de kolonie. Ze was slechts bedoeld ter advisering van directeur-generaal en raad. Ook de vertegenwoordigers van de Engelse dorpen waren uitgenodigd.
In 1653 werd er opnieuw een Landdag gehouden; de Engelse stem was krachtig en er werd een remonstrantie opgesteld waarin het bestuur van de Compagnie zwaar werd bekritiseerd; Stuyvesant verklaarde de Landdag voor ongeldig, omdat men zonder oproep van bovenaf had vergaderd. Bovendien was de Eerste Engelse Oorlog gaande! Pas in 1663 kwam er weer een Landdag.  

In 1653 werd in Nieuw-Amsterdam de rechtbank geïnstalleerd: burgemeesters voor het bestuur en de rechtspraak voor de schepenen, hoewel het een paar jaar nam om dit onderscheid recht goed in de praktijk te brengen. Ze was een kleine bank van justitie en mocht civiele zaken doen tot 100 gulden en kleinere criminele zaken. Uitbreiding van hun bevoegdheden kwam in 1656: ze mochten alle criminele kwesties doen, behalve halszaken. 
Ze wilden ook meer bestuurlijke bevoegdheden, wat in de praktijk regelmatig tot geschillen leidde met de Compagnie. Toch gingen ze zorgdragen voor o.a.:  
- economische zaken  
- openbare werken  
- onderwijszaken  
- defensie  
Met al die taken nam het aantal dienaren (ambtenaren) toe, waarvoor ze de zeggenschap over verschillende heffingen kregen.  
Burgemeesters en schepenen vergaderden in de stadsherberg, die tot ‘stadthuis’ werd.

 
Stadthuis 1679

 


Het hoge bruine gebouw staat op de plek van het vroegere Stadthuis.

Omdat schout en fiscaal dezelfde persoon was, wilden burgemeesters en schepenen een scheiding van de twee bevoegdheden. Pas in 1660 werd dit gerealiseerd.  
Op 6 september 1664 was Stuyvesant genoodzaakt de kolonie aan de Engelsen over te dragen. De Engelse commandant en aangewezen gouverneur Richard Nicolls nam de leiding.

 
Peter Stuyvesant maakt zijn beslissing tot overgave

Doel van de Engelsen:  
- Engelse koloniën ontzag inboezemen  
- vereenvoudiging bestuur en verdediging van het hele Engelse gebied  
- Nieuw-Amsterdam was doorvoerhaven naar Engelse koloniën  
- opbrengsten voor de hertog van York

De capitulatievoorwaarden waren mild:  
- behoud erfrecht  
- oude contracten bleven geldig  
- alle magistraten bleven aan tot het einde van hun benoemingsperiode  
Dagelijks bestuur is de gouverneur en de door hem samengestelde Raad, die samen ook het hoogste rechtsorgaan vormen. Het Engelse bestuur was veel centralistischer. De overgang naar ‘geheel Engels’ was zeer geleidelijk  
Bij de Vrede van Breda in 1667 werd tot een status quo in de koloniën besloten: Engeland behield Nieuw-Nederland en Nederland behield het pas veroverde Suriname.  
In augustus 1673 verscheen de Zeeuwse vloot o.l.v. Jacob Benckes bij de Hudson.

 
Jacob Benckes (Binckes)

Na enkele schotenwisselingen gaven de Engelsen zich over op 9 augustus 1673.  
Op 10 november 1674 werd de kolonie weer aan de Engelsen overgedragen als een uitvloeisel van de Vrede van Westminster. Het gezag over Nieuw-Nederland was in die 15 maanden in handen van de Admiraliteit van Amsterdam en het centrale bestuursorgaan in de kolonie was in eerste instantie de krijgsraad van de vloot. Nadat de schepen waren vertrekken werd Anthony Colve tot gouverneur-generaal benoemd.  
Opvallend is, dat ondanks de ‘strijd’ tussen kolonisten en WIC het nooit tot geweld is gekomen, en ook was er niet een machtsstrijd onder de kolonisten onderling.

4. “De negosie, dat gaet ons ter hartten.”  
De Nederlanders kwamen in eerste instantie om de bevervellen.  
Toen de handelspost langzamerhand veranderde in een vestigingskolonie, werd de landbouw belangrijker en kon er zelfs op een bepaald moment graan geëxporteerd worden evenals eerder al tabak.  
In het betalingsverkeer kwam het aan op vertrouwen van de geldlener en eer van de geldontvanger, want maanden tot een jaar wachten op je geld was niet ongebruikelijk. Menige zaak kwam voor het gerecht. Men kon, bij afwezigheid in patria, een ander machtigen om uitstaande vorderingen te innen.  
Rekeningen in de Republiek en in Nieuw-Nederland werden opgemaakt in guldens, bestaande uit 20 stuivers, en die weer in 16 penningen. 
Weliswaar was dit geld vaak niet in geldvorm aanwezig in de kolonie; dan werd betaald in bevers, sewant en later ook tabak. Sewant bestaat uit geregen kralen, gemaakt van schelpen, die veelal gevonden werden op Long Island. De Engelse benaming was ‘wampum’.

 
Sewant als betaalmiddel.

Deze manier van betalen had men van de Indianen overgenomen.  
Door de inflatie gingen de waarden van sewant en echt geld uit elkaar lopen: op een bepaald moment was vier gulden sewant nog maar één gulden Hollands geld.  
Jaarlijks kwamen er een kleine 10.000 pelterijen (otter-, maar vooral bevervellen) naar de Republiek. Na de afschaffing van het bontmonopolie groeide de handel uit naar enkele tienduizenden vellen per jaar. Vanaf 1658 zakte dit aantal. Oorzaken: de oorlogen tussen de Indianen onderling en de overbejaging.  
De pelterijen die naar Amsterdam gingen, werden voor een groot deel doorverkocht naar Moscovië voor bewerking.  

Het verkopen van drank aan Indianen was verboden. Nog erger was de verkoop van wapens aan hen: daar stond de doodstraf op. Bovendien zette die wapenhandel de internationale relaties met vooral Engeland en Frankrijk op het spel die in die omgeving ook hun rol speelden. Maar er was geen houden aan, vooral toen particulieren hun winst konden pakken.  

Tot 1630 werden door de WIC op Manhattan acht bouwerijen opgezet, die geleidelijk verkocht werden aan particulieren, vooral door de invoering van het patroonschapssysteem elders in Nieuw-Nederland. De opbrengsten van het land waren veel minder dan alle voorspellingen. Het was zelfs regelmatig nodig mais van de Indianen te kopen ter aanvulling van de eigen voorziening.  
Het vee was aanvankelijk over de oceaan gekomen. Het graasde over het algemeen vrij rond, wat schade aan de gewassen gaf, plus was er het gevaar van de wolven. Daartoe werden herders ingeschakeld. Ook werd wel gekozen voor de ‘corael’.  
Naast de landbouw en veeteelt was er de tabaksbouw, die in de eerste tientallen jaren moeizaam verliep: de handel er in was succesvoller dan de bouw ervan! De tabak uit Virginia had toch een betere kwaliteit. Exporterende waarde had de landbouw in Nieuw-Nederland niet, wel was ze zelfvoorzienend.  

De WIC heeft nooit gewild dat nijverheid in Nieuw-Nederland tot export zou leiden, zoals textiel. De houtverwerkende industrie in Nieuw-Nederland was belangrijker: een klein deel was bestemd voor de scheepsbouw, het overgrote deel voor huizenbouw. Daartoe werden diverse soorten molens gebruikt: wind- en watermolens, rosmolens (paardenkracht) en zelfs getijmolens.  
Verder zien we een pannen- en stenenbakkerij, een zoutkeet en potaswerken. Daarnaast speelden ambachtslieden en winkeliers een rol in de verzorgende sector.  
Opvallend aspect is het ontbreken van gilden in Nieuw-Nederland, waarschijnlijk om juist kolonisten te trekken en niet af te houden.

In de aanvang van de kolonie was er weinig of geen bier, mede omdat er, in tegenstelling tot Holland, volop schoon en vers water was. Met de jaren steeg het aantal brouwerijen.  
Omdat de graanvoorraden beperkt waren, was de overheid er tegen dat bakkers het graan gebruikten voor het bakken van witbrood, krakelingen en koekjes voor de Indianen in plaats van roggebrood voor de kolonisten.

De belangrijkste categorieën van producten die naar Nieuw-Nederland werden vervoerd waren: textiel, levensmiddelen, ijzerwaren (incl. wapens), plus nog een gevarieerd assortiment van diverse gebruiksvoorwerpen. Uiteraard ging het om goederen die niet in de kolonie geproduceerd werden.  
Opgravingen bewijzen, dat de goederen uit de Republiek ook in de Engelse kolonies terecht kwamen.

5. “Voor Gods Kercke ende eere behoort sorge gedraagen te werden.”  
Het toezicht op de kerkelijke zaken was meer het gevolg van ad-hoc-beslissingen dan van een vooropgezet plan.
Een voorlopige regeling was dat de kerkenraad van Amsterdam de predikanten en ziekentroosters naar Nieuw-Nederland stuurde. Vanaf 1635 kwam dit toezicht onder de classis van Amsterdam. Pas in 1772 verwierf de Dutch Reformed Church in America onafhankelijkheid van de moederkerk in de Republiek. De classis deed een voordracht van een predikant, waarop de bewindhebbers de keuze konden bevestigen of niet. In de loop van de 17e eeuw wilden de bewindhebbers geen “idioten” (ongestudeerden) meer aanstellen als predikant.  
In de eerste tientallen jaren was de relatie tussen de predikanten en de bestuurders in Nieuw-Nederland bepaald niet optimaal. Pas vanaf de periode Stuyvesant zien we stabiliteit in die relatie.  
Heftig was de verhouding tussen dominee Bogardus en Van Twiller. Nog problematischer was de relatie tussen Bogardus en Kieft, vooral vanaf de oorlogen met de Indianen. Bogardus verscheen ook wel eens dronken op de kansel. Beide laatsten werden naar de Republiek teruggestuurd, maar hun schip leed in 1647 schipbreuk, waarbij beiden verdronken.

       
Dominee Bogardus               Wouter van Twiller                         Willem Kieft

Zowel in 1631 als in 1647 hadden zowel predikant als directeur de kolonie verlaten!
Altijd waren er problemen met de betaling van predikanten: wie moest betalen: WIC, Directie, bevolking, lidmaten, en ….. hoeveel?  
In 1664 waren er in Nieuw-Nederland in kerkelijke gemeenten zes predikanten actief.

Aantal inwoners Nieuw-Amsterdam:  
1629:   300  
1664: 1750

Het aantal lidmaten van de gereformeerde kerk kwam zelden boven de 20% van de gehele bevolking, welk percentage lager is dan in de Republiek. Maar net als in patria was in de kolonie het aantal ‘toehoorders’ aanzienlijk hoger dan het aantal lidmaten.  
Ook in de kolonie is er godsdienstvrijheid en vrijheid van geweten, maar alleen de gereformeerde kerkdiensten mogen buiten ’t eigen huis plaats vinden: religieuze pluriformiteit was niet gewenst  
In 1649 deden de lutheranen een poging om een predikant te krijgen. Omdat ze het officieel speelden, werd er geen toestemming gegeven. Pas na de overname in 1664 door de Engelsen konden ze een eigen predikant aantrekken.  
De Quakers waren veel radicaler: ze weigerden alle vormen van gezag als die niet direct van God stamde. Deze houding werd door de autoriteiten niet gepikt en in 1657 werd door de overheid geweld tegen hen gebruikt. De Quakers waren vooral actief in de Engelse dorpen op Long Island. Er volgde menige verbanning.  
Vanuit de Republiek droegen de bewindhebbers de autoriteiten in de kolonie op de ‘dissidenten’ oogluikend toe te staan, zoals dat de praktijk was in de Republiek. En zo geschiedde.  
Twee kleinere denominaties in Nieuw-Nederland waren de menisten en katholieken; onder de Engelsen op Long Island waren meerdere religieuze stromingen.  

In de kolonie waren uiteraard ook niet-christenen: joden, negers en de Indianen.  
In 1639 waren er ca. 100 negers in de kolonie, een getal dat groeide naar ca. 500 in 1664, en betrof zowel vrije negers als slaven. In Nieuw-Amsterdam maakten zij zo’n 20% van de bevolking uit. Men probeerde de negers de beginselen van de gereformeerde religie bij te brengen. Maar hun kinderen werden steeds minder vaak gedoopt, want eenmaal christen konden ze geen slaaf meer zijn! Er is slechts van één negerin bekend dat ze lidmaat werd.  
Bij de Indianen was het nog lastiger ze in aanraking te laten komen met de gereformeerde kerk, al was het maar door de geografische en culturele afstand. Toen er eindelijk een Indiaan was die goed Nederlands kon lezen en schrijven, en die regelmatig aan kerkdiensten deelnam, was “hy totten dranck van brandewijn vervallen”.

6. “Elck naer sijn conditie, staet en gelegentheijt.”  
In de kolonie waren het de kooplieden die kans zagen een fortuin op te bouwen. Naarmate de 17e eeuw vorderde en de bevolking groeide, werden de verschillen in rijkdom in de toplaag van de kolonie groter. Er is geen strak verband tussen rijkdom en het bekleden van een bestuurlijke functie, althans in Nieuw-Amsterdam. Bovenstaande gegevens zijn gepeurd uit leningslijsten voor veelal defensieve bouwactiviteiten, zoals de noordelijke palissade van de Walstraat.

 
Bouw van de palissade ter bescherming van Nieuw-Amsterdam, 
parallel aan de huidige Wall Street

Salarissen van Compagniesdienaren:  
- de directeur 250 gulden in de maand
- predikant 120  
- fiscaal 60  
- schoolmeester 30  
- chirurgijn 25  
- timmerman 18  
- korporaal 18  
- soldaat 13  
- boerenknecht 10.  
Bovenop hun inkomen hadden velen gratis kost en/of  inwoning.  
Wat opvalt in Nieuw-Nederland is de grote mate van sociale stijging, en sommigen bereikten een hogere status dan ze waarschijnlijk in de Republiek ooit zouden hebben bereikt. Mogelijk werd dit veroorzaakt door de snelle bevolkingsgroei, die economische kansen bood.

In de 17e eeuw werd het overheidsgezag gelegitimeerd met een beroep op God.  
Het belangrijkste criterium voor een hoge functie was rijkdom, want die werd gezien als een teken van Gods gunst. Maar het was ook een plicht om een bestuursfunctie te bekleden, ook als die functie weinig of geen bezoldiging gaf.  
Status was af te zien aan kleding, aan de plek in de kerk, aan gebrandschilderde ramen in de kerk, aan saluutschoten en aanspreektitels.  
In 1657 werd officieel het burgerrecht uitgevaardigd in Nieuw-Amsterdam; maar al eerder hadden de burgers hun plichten: belasting betalen en deelname aan de burgerwacht. Alleen burgers konden een ambt uitoefenen. 
Het burgerrecht van 1657 moest ook de problemen met de ‘schotse’ handelaren oplossen. Zij ontweken vaak de stapelmarkt van Nieuw-Amsterdam. Als burger waren ze verplicht hiervan gebruik te maken. Omdat ze meestal alleen in het bever-hoogseizoen in de regio waren, konden ze hun burgerschap weer verliezen als ze voor langere tijd de stad verlieten.  
Het kleinburgerschap kostte 20 gulden en was vereist om open winkel te houden of een ambt uit te oefenen; daarbij was de verplichting van bijdragen aan de directe belastingen en wachtlopen.  
Het grootburgerschap kostte 50 gulden en was vereist voor het vervullen van functies in het stadsbestuur; zij draaiden geen wachtdiensten en hoefden in Nieuw-Nederland niet voor de lagere rechtbanken te verschijnen.  
In de kolonie sprak met nauwelijks van ‘schutterij’, maar wel van ‘burgerwacht’.  
Dat de kolonisten een bijdrage zouden leveren aan de verdediging van de kolonie was in 1640 in de “Vryheden ende Exemptiën” vastgelegd.  
Kieft is begonnen met het organiseren van de burgerwacht: ieder een eigen wapen, onderverdeling in korporaalschappen en afspraken over alarmeringssignalen. De hoogste rangen waren die van kapitein en luitenant.  
De officieren vormden de krijgsraad en pleegden overleg met de overheid. Deze officieren werden benoemd door directeur-generaal en raden.  
De burgerwacht had twee taken:  
- verdediging tegen vijanden van buitenaf  
- zorgen voor orde en rust in de stad, vooral ’s nachts.  
Voor acties zoals tegen de Zweedse kolonie maakte men gebruik van vrijwilligers, maar vaak waren de mannen hier nauwelijks toe bereid.  
Omdat er veel weerstand was tegen het wachtlopen ’s nachts werd in 1654 een aparte en betaalde ‘ratelwacht’ ingesteld.  
Tijdens de jaarlijkse kermis mochten de compagnieën van de burgerwacht onder tromgeroffel door de stad marcheren.  
In de periferie van de kolonie zien we joden, negers en Indianen: niet-christelijke groeperingen. In 1654 arriveerde een kleine groep joden, 23 in getal, in Nieuw-Nederland: zij kwamen uit Recife, dat in Portugese handen was gevallen. De bewindhebbers in Amsterdam besloten, ondanks grote weerstand in Nieuw-Nederland, ze wel toestemming te verlenen zich te vestigen, als ze maar niet ten laste kwamen van de diaconie. De groep werd lastig gevallen met belastingen en beperkingen. Dankzij de bewindhebbers konden ze het burgerrecht verkrijgen, maar wel waren er beperkingen: geen ambachten uitvoeren, geen deelname aan de burgerwacht, geen publieke godsdienstoefening.  
De slaven in Nieuw-Nederland kwamen over het algemeen van in het Caribisch gebied buitgemaakte Spaanse en Portugese schepen en slechts in een enkel geval rechtstreeks uit Afrika. Pas ca. 1645 begon het aantal slaven in de kolonie toe te nemen. Het aantal slavenhouders groeide geleidelijk en ook na de Nederlandse tijd werd het houden van slaven steeds algemener.  
Slaven konden vrijkomen:  
- door te vluchten (gebeurde niet vaak)  
- vrij tijdens het leven van de eigenaar (onder voorwaarden)  
- vrij bij het overlijden van de eigenaar  
- oudere WIC-slaven konden vrijheid aanvragen (onder voorwaarden)  
Als aan de voorwaarden niet kon worden voldaan, konden ze in slavernij terugvallen.  
In de Republiek zelf was slavernij niet toegestaan.  
Een slaaf in Nieuw-Nederland kon eigendom bezitten en zelfs een rechtszaak aanspannen tegen vrije personen, c.q. burgers.  
De slavernij in Nieuw-Nederland mag dan een relatief mild karakter hebben gehad, de status van negers, slaaf of niet, was laag.  
Indianen vestigden zich nauwelijks in of dichtbij de nederzettingen van de kolonie. Het meeste contact vloeide voort uit de bonthandel. Soms bewezen ze de Compagnie tegen betaling diensten, bv. bij de bouw van Fort Amsterdam. Soms hielpen ze bij het binnenhalen van de oogst. Men maakte ook gebruik van ze als snelle (lopende)  koerier. 
Voor de rechtbank konden niet-christenen en eerloze personen geen geldige eed afleggen. Toch wilde men ze niet laten zitten als ze ernstige klachten hadden over burgers, want men wilde het niet laten uitlopen op een eventuele oorlog. Indianen die iets op hun kerfstok hadden, werden zelden veroordeeld; het liep meestal uit op onderhandelingen met de stamhoofden. In de loop van de tijd werden hun getuigenissen steeds serieuzer genomen.  
In 1638 werd seks met heidenen verboden, want het was niet goed voor het zielenheil, maar ook stond de eer op het spel.  
De aanwijzingen voor Indiaanse slavernij binnen de kolonie zijn erg gering. De Indianen behoorden niet tot de koloniale maatschappij, zoals de joden de negers (vrij of als slaaf).

7. “In soo verre lant van alle vrinde gescheyde”.  
Van de gebouwen uit de Nederlandse periode is weinig over:  
- Bronck House uit ca. 1663 in Coxsackie (onder Albany) van natuursteen gebouwd  
- Wyckoff House in Brooklyn 1638/1641, van hout.  
In 1624 woonden een aantal gezinnen aan boord van de schepen. Mensen die weinig te besteden hadden groeven een kuil met een balken dak met bekleding, waar ze een paar jaar bleven wonen. Nog heel lang was dit de behuizing voor veel nieuwkomelingen.  
Al spoedig kwamen er houten woningen van het Noord-Hollandse type met zijbeuk.

 
Veel gebruikt type: houten huis met zijbeuk uit de Zaanstreek


Bronck House uit 1663                                    Wyckoff House uit ca. 1640

In 1657 moesten in Nieuw-Amsterdam alle rieten daken verwijderd worden i.v.m. brandgevaar.  
In Nieuw-Amsterdam en Beverwijck is nauwelijks iets van Nederlandse koloniale architectuur te vinden; oorzaken: de overgang naar grote stadsbouw en grote branden als in 1776, 1835 en 1845 in o.a. het oude Nederlandse gedeelte van New York City.  


Regelmatig kwam het voor dat vrouwen uit welgestelde families naar de Republiek gingen om daar te bevallen. . Seks voor ’t huwelijk werd getolereerd als er een trouwbelofte was gedaan.  
Kreeg een vrouw uit een lagere stand een kind van een ongehuwde man uit een  hogere stand en hij gaf toe dat het zijn kind was, dan werd er veelal niet getrouwd, maar moest hij, na proces, boete betalen plus het kind financieel onderhouden. Ongehuwd samenwonen was uit den boze.  
Als een getrouwde man naar een ‘hoerhuis’ ging en zijn vrouw accepteerde dit niet, dan kon in het uiterste geval het stel vertrekken naar patria. Dit kon de hoer ook overkomen.  
De magistraat zag het huwelijk als een goddelijke instelling: scheiding van tafel en bed was al nauwelijks aanvaardbaar, echtscheiding helemaal niet, behalve in geval van overspel en kwaadwillige verlating, zoals dit ook in de Republiek was.  
Sodomie, waarbij een volwassen man een seksuele relatie had met een adolescent werd met de verdrinkingsdood bestraft. De adolescent werd gegeseld.  
Belangrijk was het begrip “eer” of te wel: ‘iemands goede naam bij anderen.’ Je verloor je eer als je iets deed dat collectief werd afgekeurd.  

Vaak zien we dat nabestaanden van iemand die gedood is de dader vergeving schenken. De rechter legde dit op om verdere wraakpogingen te voorkomen. Wie vervolgens toch wraak nam kon de hoogste straf verwachten. De aanvankelijke dader werd wel gestraft, maar de strafmaat hing erg af van zijn houding.

De klok werd gebruikt om iets aan te kondigen:  
- sluiting van de kroegen om 21.00 uur  
- aanvang van de wachtdienst van de schutters op hetzelfde tijdstip  
- bij de afkondiging van plakkaten  
- het opnoemen van gevluchte misdadigers  
Maar ook bij noodgevallen, zoals bij brand. Was er geen klok dan werd trommel of trompet gebruikt.

Er waren vaste wekelijke dagen voor:  
- justitie (gerechtsdagen)  
- commercie (marktdagen)  
- religie (de zondagen)

De zondag was een echte rustdag, ook voor degenen die niet ter kerke gingen. Overtreders wachtte een geldboete. Naast de zondagen waren er bededagen: uitgevaardigd om naar aanleiding van bijzondere gebeurtenissen Gods zegen af te smeken, of om de Heer te danken voor Zijn goedgunstigheid.

In Nieuw-Nederland begon het nieuwe jaar op 1 januari, i.t.t. de omliggende Engelse gebieden waar Maria Boodschap op 25 maart het nieuwe jaar aankondigde.  
Het Nieuwjaar werd gevierd met veel lawaai en drank; met musket en voorroer (oud type geweer) werd er in de lucht geschoten, wat op bezwaar van de overheid stuitte. Daarnaast werd het ook verboden om meibomen te planten, op trommels te slaan en zich dronken te drinken.

Slotbeschouwing.  
Nieuw-Nederland was de eerste Nederlandse vestigingskolonie, eerder dan Kaapstad en Brazilië, maar voor de bewindhebbers was het slechts een middel om de claim op het gebied kracht bij te zetten.  
De migratie begon echt aan te trekken nadat de WIC onder druk van de Staten-Generaal het monopolie op de bonthandel had opgeheven. Tegen het einde van het Nederlandse bestuur waren er 7 à 8 duizend kolonisten in Nieuw-Nederland.

Er bleven veel parallellen met de Republiek: bestuur, cultuur, architectuur, het omgaan met de religie-verschillen, het dagelijks leven en de gebruiken rond doop, bruiloft en geboorte.  
Maar er waren geen gilden.

Het gebruik van mais werd van de Indianen overgenomen. Een ander verschil met de Republiek was de aanwezigheid van Indianen en slaven.

Het gebruik van sewant als betalingsmiddel was een aanpassing naar aanleiding van het gebrek aan geld.

De sporen van de Nederlandse cultuur zijn in de gebieden langs de Hudson nog steeds te vinden, ondanks slechts een aanwezigheid van 40 jaar in de 17e eeuw.